Ik wilde geen zoutpilaar worden

Het verenigd Europa is ooit uit naoorlogs idealisme geboren.

Max Kohnstamm stond aan de wieg.Volgende week komt de Europese Unie in Nice bijeen voor een cruciale top. Het bestuur moet hoognodig worden aangepast aan de uitbreiding met twaalf nieuwe lidstaten.

Een gesprek over kamp Amersfoort, koningin Wilhelmina, Duitsland, de uitbreiding van Europa en het wilde kapitalisme van de nieuwe eeuw.

Ik ben geboren in een gelukkig gezin, maar een van mijn vroegste herinneringen is er een van droefheid. Op de zolder van mijn grootmoeder stond een grote stoel met wieltjes. Je kon ermee rijden. Ik zat daarin, dat weet ik nog, maar er hing een verdriet. Daar was ik me van bewust. Die zolder en die stoel hingen vol verdriet. Ik moet een jaar of vijf zijn geweest, rond 1920.

Mijn vader was van 1875, mijn moeder van 1882. Zij was een dochter van J.B.A.Kessler, de tweede directeur van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij waaruit later de Koninklijke Shell-groep zou voortkomen. Maar in de jeugd van mijn moeder was van rijkdom nog geen sprake. De knpm was toen nog een klein bedrijfje, met een olieconcessie op Noord-Sumatra om petroleum voor lampen en dergelijke te produceren. Mijn grootvader sleepte wat vaatjes olie uit het oerwoud, daar kwam het op neer. Benzine was alleen maar een lastig restproduct waar ze niets mee verdienden, 'dat vreselijke goedje, dat almaar in de brand vliegt', zoals hij in een van zijn brieven schreef.

Hij heeft Henri Deterding er bijgehaald, en samen hebben ze dat noodlijdende bedrijf op het droge getrokken. Zelf reisde hij op en neer naar de Indische oliebronnen, hij was een echte rimboe-man. En als hij dan thuiskwam - dat proef je ook uit zijn brieven - dan viel het ook weer tegen. Het was een tragisch leven, dat eindigde toen succes eindelijk verzekerd was.

Mijn moeder was dol op hem. Toen ze een jong meisje was, gaf hij haar een fiets cadeau. Ze was woedend: 'Dat mag je niet doen, daar heb je het geld niet voor, je moet er veel te hard voor werken.' Toen hij stierf - hij was 49 - was zijn weduwe een rijke vrouw. Het was 1900, de eerste auto's verschenen, en plotseling was alles anders.

Kijk, dit is een foto van mijn vader, die grote mooie man, met die baard en dat aristocratische uiterlijk. Hij ontmoette de Kesslers voor het eerst in de zomer van 1899, tijdens een vakantie in Domburg. Mijn moeder was toen zeventien, mijn vader was zeven jaar ouder. Hij was, door allerlei familieomstandigheden, opgegroeid in het huis van zijn oom, de Amsterdamse bankier A.C. Wertheim, in de sfeer van het deftige geassimileerde jodendom.

Het is een huwelijk geworden, tussen de honderd procent joodse Kohnstamm en dat meisje Kessler uit de haute bourgeoisie van Den Haag. Dat soort gemengde huwelijken was toen nog zeldzaam. Maar nooit heb ik gehoord dat er daarover moeilijkheden waren - op één geval na. En mijn ouders bleven innig verbonden tot de dood.

In mijn ouderlijk huis heeft de negentiende eeuw tot in de dertiger jaren geduurd, en in elk geval tot 1926. Tot dat jaar woonden we 's winters in een huis aan de Amsterdamse Nieuwe Keizersgracht, en 's zomers trokken we naar een houten buitenhuis bij Ermelo, De Schapendrift. Mijn moeder bestierde met stevige hand die wereld van zes kinderen, twee dienstboden, een kindermeisje, een naaister die heel regelmatig kwam en een werkster voor grof werk. Het was helemaal niet deftig, het was wel druk en vol.

De hele buurt werd gedomineerd door de smalle, volkse Weesperstraat. Ik herinner me Ricardo, een snoepwinkel waar je de heerlijkste bonbons kreeg. De drukte, altijd, en de tram die zich daardoorheen worstelde. En daarna de stilte op zaterdag, als de mannen en de jongens met hun hoge hoeden, keurig gekleed, naar de synagoge liepen. Werd er gediscrimineerd? Er werd wel eens een grap gemaakt, en mijn vader kon als jood geen lid worden van de Groote Club - waar hij overigens ook helemaal geen zin in had. Maar het gif zat er toen nog niet in. Die kleur die het allemaal gekregen heeft, en die voor ons onmogelijk is om weg te denken, die was er toen nog niet.

Mijn vader was fysicus, later hoogleraar, maar je kunt niet zeggen dat de thermodynamica zijn hele hart had. Hij omringde ons met een grote wijsheid. Op een gegeven moment is hij overgegaan naar het christendom. 'Er is niets in het Nieuwe Testament dat ook niet in het Oude staat', schreef hij. 'Maar er is een Persoon, en die is mijn Leidsman geworden.'

Ik heb aan mijn eerste jaren geen onverdeeld gelukkige herinneringen. Dat verdriet op die zolder, dat had te maken met een heel jong nichtje dat net aan tbc was overleden. Maar het ging om meer. Al hadden we een hele hechte band, ik heb bijvoorbeeld nooit bij mijn vader op schoot gezeten, en stoeien was er natuurlijk niet bij.

Tegenover ons huis lag een woonschip, waar je 's avonds door de ramen het licht van een petroleumlamp kon zien branden. Die mensen waren arm. Maar ik herinner me de warmte die dat scheepje uitstraalde, en de geborgenheid als je er op bezoek kwam. Datzelfde gevoel had ik ook als ik bij mijn grootmoeder Kohn stamm op bezoek ging. Die zat daar met haar theelichtje en haar koekje, en je kon er niets misdoen. Daar en in dat woonscheepje voelde ik me volstrekt veilig.

Ik denk dat ik, zoals dat heet, een moeilijke leerling was. Mijn leven lang heb ik gedroomd van mislukking, falen, eindexamen doen en het dan niet meer weten. Een vakantiebeeld. Ermelo, zomer, licht, de serre, daar zit ik met mijn moeder sommen te maken en eigenlijk ging dat nooit goed. Er was koffie, ze was een beetje wrevelig, een restje koffie stond nog in haar kop. Nog altijd, als ik de lucht van oude koude koffie ruik, voel ik me weer dat domme jongetje in die serre.

Toen de vier oudste kinderen het huis uitgingen en mijn ouders definitief naar Ermelo verhuisden, werd onze relatie heel veel warmer. Vanaf die jaren begon ik te genieten van de warmte van mijn moeder en van de rijkdom van de omgang met mijn vader. Ik heb hier een brief van vader toen ik aan het einde van mijn studie in Amerika was. Het was vlak na een grote rede van Roosevelt in de winter van 1939, waarin hij voor het eerst duidelijk zei waar hij stond - namelijk in het

anti-nationaal-socialistische kamp. Mijn vader schreef me toen: 'Nu is het ergste voorbij. Want het gevaar dat Hitler de wereldheerschappij krijgt is nu weg. Dat neemt niet weg dat we nog door diepe dalen zullen gaan, en dat ook Nederland misschien niet gespaard zal worden, maar het grootste gevaar is geweken.'

Mijn Amerikaanse reis heeft een enorme rol gespeeld in mijn leven. Ik kwam uit dat Europa waar de meeste mensen als verlamd waren, als konijnen in het lamp licht van de stroper. En dan ben je opeens in Amerika waar de mensen iets durfden, waar ze zeiden: 'Laten we het in elk geval eens proberen, wie weet lukt het'. Ik merkte daar voor het eerst dat politiek ook groots kon zijn, dat het niet alleen maar een kwestie van spelletjes was. En het sleepte me mee, ik kreeg iets van lef, iets van een Amerikaans jongetje werd in me wakker.

Kathleen zag ik voor het eerst in de winter van 1940, in de trein naar Leeuwarden. De volgende dag schaatste ik met een paar vrienden de Elfmerentocht, aan een stok schaatsten we, prachtig weer was het. Opeens zag ik datzelfde meisje uit de trein rijden, in haar eentje. Ik was nogal schuchter, maar het Amerikaanse mannetje in me zei: 'Haak maar in'. Op het Sneekermeer hebben we aan het einde van die dag nog, al schaatsend, tikkertje gespeeld, terwijl een prachtige volle maan boven ons stond.

Op 9 mei 1940 ging ik slapen als een redelijk geslaagd Amsterdams jongmens, en op 14 mei werd ik wakker als een half-ariër, 'ein Mischung ersten Grades'. Kan je een jong meisje vragen met zo'n geval te trouwen? Dat heeft mijn gevoel die eerste jaren beheerst. En in de brief waarin ik uiteindelijk toch haar hand vroeg, vanuit het Haarense gijzelaarskamp, is die twijfel er nog steeds. Maar je leest er ook dat Amerikaantje in, dat gewoon durfde en deed.

Dat boek van Hans Maarten van den Brink, Over het water, over die twee roeimakkers in de oorlog waarvan eentje joods bleek te zijn, dat heeft me diep, diep geraakt. Zo was het écht in die dagen, in mijn wereld. Die doem die steeds verstikkender werd, die gebrokenheid ook.

Mijn leven heeft heel sterk in het teken gestaan van het opbouwen van iets nieuws, na de verschrikking.

Na 1945 leerden we allemaal om naar voren te kijken, we hebben nooit meer anders gedaan. Maar nooit ben ik me zo bewust geweest als bij het lezen van dit boek: er is iets voor eeuwig weg. En dat geldt zeker ook voor Amsterdam.

Ik herinner me hoe ik werd opgepakt: ik liep door een prachtig donker, besneeuwd Amsterdam, die verduisterde stad was toen zo mooi, en in mijn huis aan de Amstel was er politie, mijn hospita stond te huilen, en een dag later stond ik, kaalgeschoren, op dat ijzige, besneeuwde appèlterrein in Amersfoort. Ik ben er niet geslagen, ik heb het geluk gehad dat ik werd vrijgelaten, maar ik ben er wel in drie maanden 25 kilo kwijtgeraakt.

Je ziet daar écht dat rechteloosheid de hel is. Ik heb me nooit zo overgegeven in Gods hand gevoeld als daar. En tegelijk liggen daar ook de wortels van mijn huidige atheïsme.

Ik weet nog hoe ik op een avond een lijk uit het lijkenhuis moest slepen, met een bewaker en een hond. Terwijl ik daarmee bezig was, ging het door me heen hoe ridicuul het eigenlijk was: een halfdooie sleept een dooie, met daarachter een Duitser en een hond. Maar de belangrijkste gedachte die me beheerste, was de vraag of ik, als ik in de barak zou terugkomen, mijn brood nog ongestolen zou terugvinden.

Op de een of andere manier was Amersfoort ook een ridderslag. Er is namelijk een niet te peilen verschil tussen vernietigd te worden omwille van je ras, of vervolgd te worden om je verzet tegen de bezetter. En als ik niet bij die laatste groep had behoord - ik had in het najaar van 1940 in de aula namens de studenten een protest uitgesproken - dan weet ik niet of ik later Kathleen had durven vragen.

Mei 1945. Amstel 228 boven. Twee weken na de bevrijding kwam ik thuis na een fietstocht-met-houten-banden naar Zaandam, en er was iemand met een auto. De koningin wilde me spreken. Stomverbaasd stapten we in - Kathleen met het Zweedse wittebroodje dat ze net gekregen had - en zo reden we naar Breda, waar koningin Wilhelmina in de buurt resideerde. Ik geloof niet dat we tussen Amsterdam en Rotterdam één auto tegenkwamen.

In Breda werden we ondergebracht in een hotel, het was als een droom: de straatlantarens brandden, je kon er aardbeien kopen, de lakens waren wit in plaats van geel. De volgende ochtend vroeg de koningin me haar particulier secretaris te worden - waarschijnlijk was dat bedacht door een kennis uit het gijzelaarskamp. Zo werd koningin Wilhelmina mijn eerste werkgeefster.

Ik moest onder andere de inkomende post met haar bespreken. De koningin had een fantastische manier om met die post om te gaan: ze haalde de brieven uit de enveloppen die ze vervolgens over haar schouder de kamer ingooide.

Over de politieke kant van haar werk werd nooit gepraat. Die scheiding was heel scherp. Wel merkten we hoe moeilijk het voor haar was om terug te keren naar Den Haag. Voor haar was het paleis Noordeinde de gouden kooi geweest, waaruit ze op 14 mei 1940 eindelijk was ontsnapt. Wat had ze een hekel aan dat paleis en aan al dat hoogwaardigheidsgedoe! De toenmalige regering had als adagium: 'Wie niet slecht geweest is, is goed.' Voor haar was het precies omgekeerd: 'Wie niet goed geweest is, is slecht.'

Ik herinner me hoe ze voor het eerst weer op het Noordeinde kwam, met de pest erin, en hoe daar de burgemeester en wethouders van Den Haag stonden opgesteld. Koningin Wilhelmina loopt op de eerste af en vraagt: 'In welk concentratiekamp hebt u gezeten?' En die vraag herhaalde ze tegen iedereen die daar was. Was die vraag terecht? Waarschijnlijk niet, of maar zeer ten dele. Maar in ieder geval stonden ze allemaal met de mond vol tanden.

Die eerste jaren reisde de koningin het hele land door, één grote inspectietocht was het eigenlijk. Als ze dan zo'n bezoek achter de rug had en ze in haar eigen salonwagen was, zei ze vaak: 'Nu moeten we even blazen.' Even geen handen schudden, niet alles hoeven weten over wie en wat. Ze vond het vaak heel zwaar allemaal. Een keer hebben we na zo'n reis met haar op Het Loo gesjoeld: ze keilde de stenen over de sjoelbak, aan alle kanten vlogen ze over de vloer. 'Ja, dat is nu eenmaal mijn Russische bloed dat in mij rondspookt', zei ze soms, als ze weer eens tegen iemand in haar dienst was uitgevallen.

Koningin Wilhelmina was een zeer eenzame vrouw. Ik herinner me een diner in het Paleis op de Dam met de Amsterdamse burgemeester, het was een plezierige avond geweest, en toen ze me ernaar vroeg, zei ik dat ook. Opeens viel ze uit: 'Mijnheer Kohnstamm, als u in die zaal zo veel geleden had als ik, zou u dat niet durven zeggen!'

Die koninklijke verjaardagen op de 31ste augustus vond ze vreselijk, je mocht d'r niet eens feliciteren, dat vermeed ze altijd. Maar op 31 augustus 1947 zei ze tegen me: 'Volgend jaar op deze dag stap ik op.' Toen het zover was, zag ze tegen die plechtigheden op. Ze was moe, en in sommige dingen was ze waarschijnlijk ook diep teleurgesteld. Er reed een speciale trein naar Amsterdam-Amstel. In die wagon zag ik weinig anders dan een lastige oude dame. We reden achter haar aan naar het paleis, daar stapt die lastige oude dame uit, en opeens is ze de Koningin, koningin Wilhelmina, en ze schrijdt langs de erewacht en wuift naar de menigte. Ze was groots, werkelijk. En als ze niet als koningin geboren was, maar als een wasvrouw uit de Jordaan, dan was het ook een grootse vrouw geweest.

In die jaren kwam ik voor het eerst weer in Duitsland. Wat ik zag was een woestijn. Keulen, Kassel, je zag alleen maar puin. Het land leefde in hongersnood. Kinderen die uit de puinhopen kropen, met hun schooltasjes op de rug. Het was een heel ding, om weer voet op Duitse bodem te zetten. Maar voortdurend reisde ik met het besef: dit land moet op den duur weer redelijk in vrede met zichzelf kunnen leven. Ik had daarbij het gevoel dat wij, Nederlanders, ook schuldig waren, alleen al door ons lang niet-willen-zien. Bij het eerste appèl in Amersfoort stond achter me een bekende Amsterdamse advocaat. Nog hoor ik hem zeggen: 'Is het dan toch waar?' Dat was in 1942!

En ik voelde me ook medeschuldig als overlevende. Het feit dat je levend uit zo'n kamp komt, betekent dat je de andere kant hebt opgekeken als voor je ogen iemand mishandeld werd. Ik heb die zelfverzekerde houding van 'witte engel' tegenover het 'zwarte' Duitsland nooit kunnen aannemen. Ik dacht ook aan het bijbelse verhaal van de ondergang van Sodom en Gomorra, en aan de vrouw van Lot: als je achteromkijkt naar de verwoesting, word je een zoutpilaar. En ik wilde geen zoutpilaar worden.

Na de troonsafstand van koningin Wilhelmina heb ik nog vier jaar in Den Haag gewerkt. In 1950 kwam het Schuman-plan. Dat plan, genoemd naar de Franse minister van Buitenlandse Zaken, was voor mij een doorbraak. Het veranderde opeens volledig de context, het maakte van het probleem van de West-Europese kolen- en staalproductie een gemeenschappelijk probleem, dat gemeenschappelijk geregeld zou kunnen worden. Je moet niet vergeten dat Duitsland in die tijd heel gemakkelijk een speelbal tussen Oost en West had kunnen worden. Iedere langdurige discriminatie van West-Duitsland zou kunnen leiden tot een conflict met de Sovjet-Unie over Duitsland. We moesten dat land er koste wat kost bij houden.

Het lukte me om lid te worden van de Nederlandse delegatie die daarover onderhandelde, en daar hoorde ik voor het eerst Jean Monnet spreken. Dat was in juni 1950. Ik was diep onder de indruk. Je kon ruiken dat het hem om veel meer ging dan om een regeling van de kolen- en staalproductie. Het ging hem erom de conflicten die Europa tot tweemaal toe in een oorlog gebracht hadden voorgoed uit te sluiten, meer nog om van nationale vraagstukken gemeenschappelijke vraagstukken te maken.

De delegaties waren klein en er waren er maar zes. Maar de stemming werd heel anders dan bij de harde bilaterale onderhandelingen die we gewend waren. Voor ons allemaal was het een buitengewone ervaring: we waren bezig structuren op te bouwen die volstrekt nieuw waren. Ik schreef Kathleen dat dit het was waarop ik op de een of andere manier was voorbereid in al die jaren daarvoor, in Amersfoort, in Duitsland, in Den Haag. Ik was diep onder de indruk.

Jean Monnet was een zeer bijzondere man. In 1919, hij was net dertig, werd hij adjunct-secretaris-generaal van de Volkenbond. Hij zei: als je denkt dat een vredesverdrag iets definitiefs is, dan gaat het mis. Vrede is een proces waaraan je voortdurend moet blijven werken. Anders doet ieder wat in zijn aard ligt, de sterken heersen, de zwakken hebben enkel te accepteren. Volgens hem viel de vicieuze cirkel van de Europese geschiedenis, die eindeloze reeks wapenstilstanden, afgewisseld door oorlogen, alleen te doorbreken door iets op te bouwen dat over de nationale grenzen heen ging.

In 1952 werd hij de eerste voorzitter van de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en ik ging met hem mee naar Luxemburg. Zo werd ik een van de eerste Europese ambtenaren. We waren met een klein groepje en we zaten in een oud gebouw van de Luxemburgse spoorwegen. Ik was secretaris, een soort ambtelijk vertrouwenspersoon om de Hoge Autoriteit te helpen functioneren.

Een van mijn eerste collega's werd een Duitser, Winrich Behr. Bij zijn eerste bezoek aan mij zei hij: 'U moet weten dat ik beroepsmilitair ben geweest in de Wehrmacht.' Hij was de laatste die uit Stalingrad weggestuurd was, om Hitler verslag uit te brengen van de catastrofale situatie. En wat zelden gebeurde: Hitler had hem zwijgend aangehoord.

In diezelfde tijd zat ik in het Gestelse gijzelaarskamp in een soort gebedsclubje, dat vooral hoopte dat er niemand levend uit Stalingrad zou komen.

Het was hard aanpakken, daar in Luxemburg en de manier van werken van Monnet was ongewoon. Ik heb het meegemaakt dat hij op kantoor kwam en zei: 'De Hoge Autoriteit moet opnieuw bijeenkomen om die en die zaak te heroverwegen. Na onze beslissing van gisteravond maakte mijn chauffeur een opmerking waarover we moeten nadenken. Want hij had gelijk.'

Er waren verdere plannen voor Europese integratie in bewerking, met name voor de Europese Defensie Gemeenschap, maar dat mislukte, dat was toen nog een stap te ver. Maar na die mislukking doken er nieuwe plannen op: voor de atoomenergie, voor het transport, en voor een gemeenschappelijke markt. En op 25 maart 1957 werd, mede op basis van een initiatief van de Benelux, in Rome door de zes landen van de Kolen- en Staalgemeenschap de Europese Economische Gemeenschap opgericht, de voorloper van de Europese Unie. Al in 1956 had ik afscheid genomen van de Hoge Autoriteit, en daarna heb ik jarenlang aan Monnets Actiecomité voor een Verenigde Staten van Europa gewerkt. Monnet was de beste lobbyist ter wereld. Het doel was de verdere ontwikkeling van het Europese integratieproces. Achter de schermen hebben we hard getrokken aan de verdere ontwikkeling van Europa, aan de toetreding van Engeland, aan de positie van Duits land, aan de houding van Frankrijk.

Hadden we vijftig jaar geleden, toen we hieraan begonnen, de huidige Europese Unie voorzien? Ik herinner me nog dat Monnet me in de zomer van 1957 optrommelde, opeens, we moesten nú aan een monetaire unie gaan werken. Dat heeft dus nog veertig jaar geduurd.

Wat we ook niet voorzagen, was de opkomst van de globalisatie en de invloed daarvan op de Europese Unie. Monnets hoofdmotief was de organisatie van een blijvende vrede door de organisatie van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Een grote gemeenschap pe - lijke markt was een doel op zichzelf, maar evenzeer een stap op de weg naar een verenigd Europa, in staat een rol in de wereld te spelen.

Nu, aan de vooravond van de topconferentie in Nice, staat de gemeenschap voor twee grote vraagstukken: de verdere uitbreiding van de Europese Unie, en de interne reorganisatie. Die uitbreiding is een uitdaging en een morele noodzaak. Het is ondenkbaar om, bijvoorbeeld, tegen Tsjechië en Slowakije te zeggen: sorry dat we jullie in Munchen verraden hebben, maar nu is er voor jullie geen plaats meer aan tafel. Bovendien is het voor Duitsland van levensbelang. Duitsland wordt omringd door meer landen dan welk ander Europees land ook,

en het wenst daarmee in vrede en evenwicht te leven. Duitsland kan niet tegen die landen zeggen: 'Je zoekt het maar uit.'

Iets anders is de manier waarop die uitbreiding behandeld is: te overhaast, te weinig doordacht. Men is direct begonnen met het uitbreiden van de navo, waardoor Rusland werd geschoffeerd. Wij moeten in Europa met Rusland leven, en we hebben er geen enkel belang bij om de nationalistische, angstige, traditionele krachten daar aan te wakkeren.

Er is ook geen moment gezocht naar tussenvormen, naar een meer geleidelijke overgang. In dat opzicht zijn de lessen van het Marshall-plan vergeten. Toen was de Amerikaanse voorwaarde aan Europa: we helpen jullie, maar je gaat samenwerken, en je behandelt Duitsland als een gelijkwaardige partner. De steun van de Amerikanen ging via de OEES, de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, waar de landen zelf moesten beslissen hoe die steun verdeeld werd.

Na 1989 heeft de Europese Unie wel geprobeerd de Oostbloklanden naar elkaar toe te brengen, maar nooit is die samenwerking als eis gesteld. Als men dat wel gedaan had, was er waarschijnlijk een onderlinge vrijhandelszone ontstaan van voormalige Oostblok landen, als een tussenfase voor de definitieve toetreding. Nu is het een bijna onontwarbare kluwen geworden van bilaterale onderhandelingen tussen de vijftien lidstaten van de Europese Unie met elk van de twaalf landen apart. Een onmogelijke vorm.

Bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap waren zes landen betrokken. Er was een conferentie met één voorzitter, Paul Henri Spaak, die tijdens de hele periode de touwtjes in handen had, totaan de ondertekening van het verdrag in 1957.

Nu leven we met een voorzitterschap dat ieder halfjaar wisselt.

Daarbij is de politieke sfeer sterk veranderd. In onze democratieën is de bemiddelende kracht van de politieke partijen sterk verzwakt. Wat ons in het begin van die Europese Gemeenschap samenbracht was ons gezamenlijke lot. Alle zes landen hadden op een bepaald tijdstip de oorlog verloren, we hadden allemaal chaos en destructie meegemaakt. Dat gevoel van lotsverbondenheid speelt nu, na een halve eeuw van vrede en voorspoed, een heel veel minder grote rol.

We staan nu binnen de Europese Unie voor een paar hele moeilijke organisatorische problemen. De oplossingen uit de jaren vijftig waren toegesneden op een groep van zes landen, relatief klein en overzichtelijk. Maar van zes tot vijftien, en nu tot verdubbeling van het aantal lidstaten, dat stelt de organisatie van de Unie voor grote problemen.

Neem bijvoorbeeld de samenstelling van de Europese Commissie, waar Wim Kok en Tony Blair ruzie over gehad hebben. Wat wil je: een Commissie met uit elk land een commissaris, binnenkort 27 leden, met ieder lid een eigen nationale visie? Of de opvatting van Blair: zo maken de zogenaamd kleine landen de Commissie kapot. En dan zegt Kok weer: jullie zéggen wel dat je die Commissie versterken wilt, en dat wij daarom onze commissarissen moeten opgeven, maar in jullie achterhoofd willen jullie het heft in handen nemen.

Enfin, je kunt die zaken nooit goed regelen zonder een samenvattend overzicht van de Europese structuur, zoals de regeringsleiders elkaar al in Amsterdam beloofd hebben. Er is in de loop der jaren binnen de Europese Unie een wederzijds wantrouwen ontstaan, waarbij iedereen kijkt naar de verborgen agenda van de ander. Opnieuw dreigt een vicieuze cirkel. Misschien kan de bestuursstructuur van de Europese Centrale Bank een voorbeeld vormen, een relatief kleine commissie waarbij geen land zeker is van een plaats. En waar ook werkelijk de besten in worden gekozen.

De Europese Unie verkeert op het ogenblik in een gevaarlijke situatie. In de hele geschiedenis van de gemeenschap is er nog nooit een beslissing genomen waarbij de grote landen tegenover de kleine stonden, of de kleine tegenover de grote. Vandaag wel. In een sfeer van verborgen agenda's is er geen goede oplossing te vinden.

Ik lees nu een artikel van J.L. Heldring in NRC Handels blad onder de kop: 'It's not the economy, stupid!' Hij meent dat de neergang van de euro niet zozeer te maken heeft met de Europese economie, maar met het onbehagen van de financiële markten over de toekomst van de Europese Unie als zodanig. Ik zie dat ook, maar denk tegelijkertijd: Godzijdank dat de euro er is. Als er op dit moment, in deze verwarrende situatie met een nieuwe Amerikaanse president, een uiterst gespannen situatie in het Midden-Oosten en een zeer hoge olieprijs, geen euro was geweest, hadden we ge garandeerd een herhaling gehad van de monetaire chaos in het begin van de jaren zeventig. De monetaire munteen heden van alle lidstaten zouden uiteengestoven zijn, zoals toen het geval is geweest. Zonder euro zou de gemeenschappelijke markt in onoverkomelijke moeilijkheden geraakt zijn.

Maar ik geef toe, tegelijk is er een grote onzekerheid over de toekomst. Op sommige essentiële punten zijn we het in Europa inderdaad niet met elkaar eens. Steeds vaker wordt, begrijpelijkerwijs, de vraag gesteld of de Unie bestuurbaar blijft, als er binnen afzienbare tijd ook nog eens twaalf nieuwe landen bijkomen. Dat kan alleen wanneer die bestuursstructuur zonder verborgen agenda's wordt doorgelicht. Dat heeft in de voorbereiding op Nice niet plaatsgevonden en zal dus na Nice nog moeten gebeuren.

Met dat alles ben ik mijn hele leven bezig geweest. In mijn pessimistische buien denk ik wel eens: het wordt uiteindelijk niets anders dan een Europese vrijhandelszone met een gouden randje. Ik heb momenten van angst, natuurlijk.... Maar wat is het alternatief?

We leven nu in een tijd waarin de oorlog is vergeten, en veiligheid en welvaart als vanzelfsprekendheden worden beleefd. Die zelfverzekerdheid heb ik nu eenmaal niet, die kan ik me ook niet permitteren. Ja, zeker, dat heeft alles te maken met dat besneeuwde veld in Amersfoort. We moeten door.

Na zijn laatste bezoek aan het Elysée vroegen journalisten Monnet hoe het verder moest met Europa.

Hij zei: Continuer, continuer, continuer.

Geert Mak is schrijver en journalist. Voor zijn laatste boek, De eeuw van mijn vader, kreeg hij onlangs de Trouw Publieksprijs.

Vincent Mentzel is staffotograaf van NRC Handelsblad.

[streamliners] Die zolder en die stoel hingen vol verdriet.

Op 9 mei 1940 ging ik slapen als redelijk geslaagd Amsterdams jongmens, op 14 mei werd ik wakker als half-ariër

Koningin Wilhelmina was groots. En als ze als wasvrouw in de Jordaan geboren was, dan was het ook een grootse vrouw geweest.

Het is ondenkbaar om tegen Tsjechië te zeggen: sorry dat we jullie in München verraden hebben, maar nu is er geen plaats meer aan tafel.