Honger

Op donderdag 23 november, om tien uur 's morgens, verliet ik het station van Ede om naar Wageningen te lopen, en bij voldoende animo door naar Rhenen – er zijn maar weinig bergen die zo fraai in het landschap liggen als de Grebbeberg en er zijn ook maar weinig torens die zo fraai in het landschap staan als de Cuneratoren.

Het regende. Het had kennelijk al meer geregend. De sprengen, die daarginds jarenlang amechtig door het bos kronkelden, bleken nu tenminste water te voeren. Maar dat betekende nog niet dat het een pretje was dat het regende.

Na ruim twee uur stak ik ter hoogte van Bennekom een verkeersweg over. Daar ligt het restaurant Nol in 't Bos. Ik had best ergens trek in, koffie desnoods. Dus naar binnen. Ik zette mijn paraplu weg, ik deed mijn verrekijker af, ik trok mijn jas uit en ging, naar mijn idee duidelijk zichtbaar, aan het raam zitten.

Er was een serveerster. Ik zal haar hier niet beschrijven (ik heb nog geleerd dat je de krant niet moet gebruiken om persoonlijke rekeningen te vereffenen – behalve als je recensies schrijft natuurlijk), maar ze wás er wel.

Ze liep een keer of zes heen en weer langs mijn tafeltje om andermans bestellingen op te nemen of af te leveren. Op den duur werd me duidelijk hoe die erin slaagden om haar aandacht te trekken, namelijk met luide stem en brede armgebaren. Maar dat ging me te ver. Zodoende zat ik in plaats van appelgebak of een uitsmijter mijzelf op te vreten.

Een halfuur lang zat ik daar. Toen heb ik de peuk van mijn sigaartje in de asbak gedeponeerd. Ik stond op, trok mijn jas aan, hing mijn verrekijker om en nam mijn paraplu. Ik dacht: als er nu iemand komt vragen of ik wel betaald heb, vraag ik rustig (rustig!) of ik wel bediend ben. Maar zelfs deze kleine genoegdoening was mij niet gegund; je kon gewoon de laan uit, het bos in.

Nu zou het misschien wel grappig zijn om te zeggen dat ik bij de bakker in Wageningen tot de ontdekking kwam dat ik geen geld bij me had. Maar dat lijkt me onwaarschijnlijk, en bovendien: dat kon zij toch niet weten?