GEOLOGEN SCHATTEN DE SFINX VAN GIZEH ZEKER 5000 JAAR OUD

De Sfinx van Gizeh, die geen inscripties bevat die naar een bepaalde tijd verwijzen, is volgens egyptologen omstreeks 4500 jaar oud, maar is volgens enkele geologen minimaal 500 jaar ouder. Daarvoor zijn tijdens de 112de Conferentie van de Geological Society of America overtuigende argumenten aangedragen. Al in 1991 wezen geologen er overigens op dat de verwering en erosie van de Sfinx niet te verklaren zijn op basis van het huidige aride klimaat dat ter plaatse in het derde millennium v.Chr. begon, maar dat die moeten stammen uit de daarvoor opgetreden, regenrijke periode.

Archeologen hebben tegen die analyse aangevoerd dat de sterke verwering ook zou kunnen hebben plaatsgevonden onder invloed van grondwaterstromen, de uitlogende werking van door verdamping gevormde zoutkristallen, de capillaire werking van het zand waardoor het gevallen regenwater na (schaarse) regenval resulteert in de langdurige aanwezigheid van nat zand, en de sinds kort toegenomen neerslag. De gevolgen van dergelijke processen zouden dan uiteraard ook terug te vinden moeten zijn bij andere, soortgelijke bouwwerken ter plaatse met een minimaal gelijke ouderdom. Veldonderzoek dat het afgelopen jaar is uitgevoerd aan graftombes even ten zuiden van de Sfinx hebben dergelijke verschijnselen echter niet aan het licht gebracht; ook inmiddels aan de lucht blootgestelde delen van het oorspronkelijke binnenmateriaal van de Sfinx vertoont zulke sporen niet. Op basis daarvan kan worden uitgesloten dat de bovengenoemde processen een significante rol hebben gespeeld bij de verwering en erosie van de Sfinx. Die moet dus inderdaad ouder zijn dan de archeologen tot nu toe hebben aangenomen.

Daarvoor zijn inmiddels ook aanvullende argumenten naar voren gebracht. Die bestaan uit de verschillende stadia van verwering en erosie waarin andere bouwwerken verkeren. Zo blijken gebouwen die nabij Gizeh en elders zijn aangetroffen onder gebouwen uit het Oude Rijk (±2575-±2150 v. Chr.) sterke verwering en erosie te vertonen, vergelijkbaar met die van de Sfinx. Daarentegen vertonen andere bouwwerken, onder meer direct bij de Sfinx geen sterke verwering. Ook daaruit moet worden geconcludeerd dat het geen grondwaterstromen etc. zijn geweest die voor de verwering van de Sfinx verantwoordelijk zijn, maar dat het inderdaad om regenval in een vroegere periode moet gaan.

Egyptologen bestrijden die conclusie vooralsnog, omdat die zou impliceren dat de Sfinx gebouwd zou moeten zijn door een cultuur die voorafging aan de oudst bekende cultuur van Egypte. Een dergelijke cultuur zou ook andere sporen moeten hebben nagelaten. De geologische onderzoekers, onder leiding van Robert Schoch van Boston University, menen bij hun onderzoek op dergelijke sporen te zijn gestuit. Dat gaat om stenen restanten die zijn ingesloten in de graftombe van koningin Khentkaus (in Gizeh) en een sterk verweerde kamer die is ingesloten in de noordelijke piramide bij Dahsur. Schoch concludeert daaruit dat de oudst bekende Egyptische culturen gebruik maakten van eerder opgerichte bouwwerken. Hij schat deze bouwwerken, waartoe hij ook de zogeheten Sfinx-tempel rekent (die uit dezelfde tonnen-zware kalksteenblokken is gebouwd als de Sfinx zelf) minimaal 5000 jaar oud.