GEHEIM ALLOCHTONENSPROOKJE

Er was eens een middelbare school in het zuiden van het land waar allochtone leerlingen dreigden te ontsporen. Toen kwam er een Marokkaanse orthopedagoog die de deugnieten op hun verantwoordelijkheden wees. En ze leefden nog lang en gelukkig, mèt een diploma.

Een mooi sprookje, dat nog waar gebeurd is bovendien. Toch wil de school onder geen beding herkenbaar in de krant. De conrector: ``Nee. Wij investeren een heleboel in zorg, maar willen dat niet aan de grote klok hangen, omdat wij geen stigma willen krijgen. Als je je profileert als zorgschool, dan zegt een deel van onze leerlingen en hun ouders `het zal wel een zwarte school zijn' en dat wordt geassocieerd met `probleemschool'. Dan zijn wij bang voor witte vlucht, ja.''

Voor de Marokkaanse orthopedagoog waar het hier allemaal om draait is deze krampachtigheid niet nieuw. Farouk Benaïssa is verbonden aan een Onderwijs Begeleidingsdienst in Noord-Brabant en begeleidt leerlingen op diverse scholen (vmbo en havo) in de regio. Overal proeft hij dezelfde voorzichtigheid en angst om een zwarte school te worden. ``Ik ben het gewend'', is zijn antwoord op de vraag of hij deze houding niet als kwetsend ervaart. ``Het is begrijpelijk dat scholen bang zijn voor hun voortbestaan, want zonder witte kinderen redden ze het in deze regio niet, maar ik heb het er erg moeilijk mee. Ik vind het gevaarlijk voor de samenleving. Dat meer allochtone kinderen in het voortgezet onderwijs komen kun je niet stoppen. Ouders moeten beseffen dat op een school niet alleen witte kinderen kunnen zitten. Dat is ook in het belang van hún kinderen, die later in een multiculturele maatschappij moeten leven en werken.'' Voor Benaïssa is het een kwestie van slikken of stikken. ``Ik ben hier voor de leerlingen, ik wil ze helpen hun doel te bereiken en ik kan ze alleen maar helpen als ik de scholen binnenkom.''

En helpen doet hij ze. Zo'n tachtig procent van de leerlingen die hij jaarlijks onder zijn hoede heeft rondt het schooljaar met succes af: met een diploma of overgang naar een klas hoger. Het enige probleem dat Benaïssa heeft is dat hij tijd tekort komt om alle leerlingen die begeleiding vragen te ondersteunen. Dit jaar heeft hij 23 leerlingen onder zijn hoede, die hij gemiddeld vier tot zes keer per jaar spreekt. Benaïssa's werk wordt gesubsidieerd door de gemeente waarin hij werkzaam is. Scholen kunnen kostenloos van zijn diensten gebruik maken.

Leila (15) komt binnen en kijkt afwachtend naar Benaïssa. ``De school heeft mij gevraagd met jou te praten. Ik heb maar één doel voor ogen en dat is dat jij je diploma haalt, daar kan ik je bij helpen. Wat vind je daarvan?'' ``Dat vind ik wel goed'', antwoordt Leila. ``Vind je het dan ook goed dat we afspraken maken om dat voor elkaar te krijgen?'' Leila knikt. Haar probleem is dat ze vaak te laat komt. ``Mijn moeder werkt en mijn zus vergeet mij wakker te maken.'' De oplossing van Benaïssa is praktisch. ``Hoeveel kost een wekker, denk je?''

Volgens Benaïssa struikelen de kinderen die hij begeleidt niet door gebrek aan capaciteit. ``Ik ga ervan uit dat iedere leerling in het voortgezet onderwijs zodanig getest is dat hij op de juiste school zit. Deze leerlingen struikelen wegens een gebrek aan inzet, motivatie of wegens slecht gedrag.'' Voorafgaand aan het eerste gesprek met een leerling krijgt Benaïssa informatie van de school over de problemen. Hij brengt vervolgens van ieder gesprek verslag uit aan de school en vaak volgen evaluaties met de klassementor.

Als zoon van een kledingverkoper groeide Benaïssa op in Casablanca, Marokko. Al sinds zijn twaalfde jaar hielp hij zijn vader mee. Hij ging naar de grafische school, maar wilde hogerop en trok in 1976 naar Nederland om de grafische richting aan de kunstacademie te doen. Via een baan als illustrator van onderwijsmethoden kwam Benaïssa in contact met het onderwijs. Hij ging pedagogiek studeren en later orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Die studie opende een nieuwe wereld voor hem, zegt hij. ``In Marokko bestaat geen speciaal onderwijs. Kinderen met leer- en gedragsproblemen zwerven op straat omdat er geen school is die ze kan opvangen.''

Murad (14) komt binnen: een klein mannetje met een groot zwart leren jack en steile zwarte stekeltjes die dankzij een lading gel rechtop blijven staan. Als hij zit duwt zijn linkerduim onophoudelijk tegen de knokkels van zijn rechtervuist. ``Hoe is het met je?'' vraagt Benaïssa, die Murad vorig jaar ook heeft begeleid. ``Het gaat nu een beetje vooruit'', zegt Murad. ``Ik had heel lang geen boeken, maar nu heb ik alles binnen. Al een paar weken of maanden, ofzo.'' Benaïssa fronst zijn wenkbrauwen en vraagt dan om het contactboekje, het `lijfboek' van iedere leerling waarin alles over spijbelen, rottigheid, te laat komen en ziekte wordt bijgehouden. Hij bladert. ``Ik zie dat je hier je boeken bent vergeten. Hoe kwam dat?'' Murad wil de datum zien, maar kan er niet onderuit dat hij toen toch echt al zijn boeken had. ``Ik dacht dat we toen een proefwerk hadden, maar we hadden gewoon les.'' ``Hmm'', bromt Benaïssa, terwijl hij verder bladert. ``En hier?'' ``Ehmm, toen dacht ik dat we voor Nederlands niks mee hoefden te nemen.'' Benaïssa: ``Hier zeg je dat je iets dacht, en hier ook, maar als je alleen blijft.." – ``denken'', vult Murad razendsnel aan – ``Juist'', zegt Benaïssa, ``dan ...'' ``Maar ik móet op deze school toch denken?'' zegt Murad wijsneuzig. ``Ja, natuurlijk'', zegt Benaïssa glimlachend, `'maar het probleem is dat jij wel denkt, maar niet kijkt.'' Murad protesteert: ``Ja, maar ik kijk wel vaak.'' Stilte. ``Maar deze ene keer niet.'' ``Oké, nou zijn we er'', reageert Benaïssa. ``Laten we afspreken dat jij voortaan elke dag in je rooster kijkt wat je mee moet nemen naar school.'' Murad knikt. ``Ik vind het wel fijn als meneer Benaïssa mij helpt'', zegt hij later. ``Als hij zegt dat ik mijn huiswerk moet maken, dan doe ik dat voor hem, maar ook voor mezelf. Hij zegt dat het voor mijn toekomst is.''

Toekomst, dat is het sleutelwoord dat Benaïssa hanteert. ``Je wilt toch een goede baan krijgen? Je wilt het toch beter krijgen dan je ouders?'' Ieder leerling knikt op zo'n moment en afhankelijk van diens probleem gaat Benaïssa daar rap op in: ``Dan moet je wel je huiswerk maken, anders haal je geen goede cijfers.'' Of: ``Dan moet je wel op tijd komen, anders mis je een deel van de instructie en denk je dat je baas het later goed vindt als jij te laat komt?'' Als een ware dominee preekt Benaïssa over het belang van goed je best doen op school. Streng wijst hij zijn schaapjes op hun verantwoordelijkheden en maakt hij afspraken met ze. Dat zijn de wapens die hij in de strijd gooit, maar soms gaat hij verder. Een leerling die stug ontkent dat hij zit te klieren in de klas wijst hij door middel van video-opnames in de klas op zijn gedrag.

Als de leerlingen hun afspraken met Benaïssa niet nakomen, neemt hij contact op met de ouders. Een doeltreffende sanctie: ``Geen enkel kind wil zijn ouders slecht nieuws brengen'', zegt Benaïssa, die zelf ook twee tienerkinderen heeft. ``Met mijn dochter op de havo gaat het heel goed. Met mijn zoon op de mavo wat minder.'' Is zoonlief minder gevoelig voor de wijze woorden van pa? Benaïssa knikt en lacht. ``Een zoon neemt van zijn vader nu eenmaal niet alles aan.''

Op verzoek van de school zijn de namen van de leerlingen gefingeerd en wordt de naam van de gemeente niet genoemd.