DE DINOSAURUS VAN KAKUMA

Vanaf 1 januari volgend jaar heeft Ruud Lubbers 22 miljoen vluchtelingen onder zijn hoede. Dan treedt hij aan als Hoge Commisaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties. De UNHCR bestaat dan vijftig jaar.

Wat treft Lubbers aan? Wat doet de UNHCR in een vergeten kamp als Kakuma in Kenia, waar 66.000 berooide vluchtelingen wonen naast een handjevol angstige VN-officials? 'De UNHCR is een dinosaurus die zichzelf heeft overleefd', zegt een hulpverlener. Portret van een kamp dat broeit.

Vluchtelingenkampen zijn de moderne melaatsenkolonies. Ze liggen weggemoffeld op barre, afgelegen plaatsen, om de rest van de wereld niet te hinderen met het heimwee en de levensdrang van de vluchtelingen.

Bij elke nieuwe crisissituatie - een vloedgolf heeft een stuk land verzwolgen, machthebbers organiseren een genocide, een terreurgroep houdt huis - komt er nog wel eens een zwerm cameraploegen overvliegen om de laatste ellende te registreren. En weg zijn de beeldenjagers weer, naar de volgende brandhaard, maar de vluchtelingen blijven, eerst maanden, dan jaren. Verweesd.

Zeldzame gasten zijn politici of dikbetaalde consultants die komen peilen of de zo gul gegeven gulden ook goed is besteed. Schichtige voorbijgangers op bliksembezoek. Ze krijgen een zorgvuldig geregisseerde rondtocht en luisteren naar opgepoetste hosannaverhalen. Na enkele uren weten ze niet hoe snel ze de plaats des onheils moeten ontvluchten. Hoe het is om in het kamp te leven, daarvan hebben ze geen weet.

Ze weten niks van de bommenwerpers en leeuwen die de dromen van kinderen in het kamp bevolken. Niet van de troost die de bewoners ontlenen aan scholing en God. Uit hoeveel maiskorrels een dagrantsoen bestaat, ze hebben geen idee. Ze zijn de kampkroegen voorbijgereden, waar je live naar Engels voetbal kunt kijken. Van de vijandelijkheden tussen ee toezichthoudende VN-organisatie en de uitvoerende hulpverleningsinstanties hebben ze niks gemerkt.

Zand vult alle poriën

Vluchtelingenkamp Kakuma - zeg K kuma - ligt in het uiterste noordwesten van Kenia, daar waar de schrale vlakte door drie onrustige buurlanden wordt omsloten: Ethiopië, Oeganda, Soedan. Het kost twee dagen om per auto vanuit de hoofdstad Nairobi het kamp te bereiken. Geen ongevaarlijke reis. De 'matatu's', de gammele minibusjes die overal in Afrika het openbaar vervoer onderhouden, worden in het district Turkana regelmatig verrast door gewapende bandieten. 'Acht doden bij een overval op een konvooi matatu's in Ortum', melden de notulen van de wekelijkse stafvergadering in het kamp. Reizen zonder gewapende politiebegeleiding kan slecht voor uw gezondheid zijn.

Niemand komt voor zijn lol naar Kakuma. Overdag stijgt de temperatuur boven de veertig graden. En ook 's avonds om zeven uur, als de duisternis al is ingevallen, staat het kwik nog steeds boven de dertig graden. In Kakuma is het altijd heet.

Alleen een stevige bries zorgt voor verkoeling. Maar die wind voert ook de minuscule zandkorrels aan die je in de warmste periodes het zicht benemen. Zand vult alle poriën en holtes. Een flinterdunne zandlaag bedekt alles en iedereen. Niks wil er groeien in dit ongastvrije gebied waar het zelden regent. Op de taaie acaciabomen na, de inheemse 'paraplu-bomen' en de stekelbosjes die overal in het kamp zijn geplant. Maar in de wijde, wijde omtrek is al het groen wat zich ooit aan het zand heeft ontworsteld, al jaren geleden als brandhout gekapt.

Termieten knagen aan de vloer

Hulpverleners denken dat ik gek ben. En vluchtelingen kunnen hun ogen niet geloven. Vijftien dagen lang trek ik lopend door het kamp. Op de langere afstanden laat ik me vervoeren door een van de fietsen die fungeren als taxi. Ik achterop, op een smerig kussentje dat me tegen de venijnigste schokken beschermt. Op de trappers een vluchteling die nog erger zweet dan ik.

Ik wil niet per auto door het kamp razen zoals de hulpverleners, elk bezoek een overval. Ik vind het al erg genoeg dat ik niet te midden van de vluchtelingen mag verblijven. Verboden. Te gevaarlijk. Zodra de zon ondergaat, moeten de buitenlanders zich verschansen in hun omheinde enclave. Die is overigens geen oase van luxe. Ik slaap in het gastenverblijf waar de muggen geen enkele moeite hebben om de gaten in het muskietennet te vinden. 's Nachts kan ik de termieten horen knagen aan de vloer.

Het kamp is een kruising tussen een vuilnisbelt voor plastic afval en een eindeloos strand zonder zee. Hutjes van leem en 'makuti', een materiaal dat is gemaakt van palmbladeren, staan dicht op elkaar gepakt, in trosjes. Voor elke achthonderd bewoners is er gemiddeld één pijp waar drie keer per dag water uit stroomt. Uren tevoren zetten vluchtelingen hun plastic jerrycans al keurig in de rij.

In het vluchtelingenkamp Kakuma wonen op een lap grond van twaalf bij twee kilometer ruim 66.000 mensen. Gemiddeld vijf ... zes per hut. De 16-jarige Rebecca Deng laat me zien wat dat betekent. Voor iedereen is er net genoeg plaats om te slapen. Haar neef van 17 mag als oudste rusten in het houten bed dat het enige meubelstuk vormt. Daar waar de schorpioenen schuiven, liggen zij, haar broer van 14 en haar neef van 16 op een dun matje op de kale grond. Hun overige bezittingen - een pan, een bord, een kom, een lepel, een afwasteil, hun voedsel - hebben ze onder het bedstel verstopt.

Ik verbaas me over de vele voorzieningen in het kamp. Niet alleen staan er overal in het veld latrines, het kamp heeft ook een ziekenhuis, vijf medische posten, een groot aantal sportvelden, vier buurthuizen, twee politiebureaus, twee bibliotheken, drie voedseldistributiecentra. Verder telt het kamp 21 lagere scholen, vier middelbare scholen, twee ambachtsscholen en een studiecentrum waar vluchtelingen schriftelijk een academische graad kunnen halen. Bijna 25.000 mensen volgen onderwijs, veertig procent van de bevolking.

Kakuma zindert van de energie. Vluchtelingen wachten niet apa thisch op een terugkeer. Met toekomst houden ze zich niet bezig. Daar zouden ze alleen maar gek van worden, zegt James Okoth, een van de Soedanese gemeenschapsleiders.

Ze hebben hun handen al vol aan het dagelijks leven. Twee keer per dag gaat Rebecca water halen, en daarmee is ze drie uur in totaal kwijt. Nog eens twee uur per dag besteedt ze aan koken. Dan gaat ze ook nog naar school: van acht tot één. En 's avonds maakt ze op school haar huiswerk: van acht tot elf. Zeven uur slapen doet ze zelden. 'De tijd', zegt ze, 'is tegen me.'

Als vluchtelingen niet bezig zijn met werk of school of huishouden, voetballen ze op stoffige veldjes. Of ze schrijven gedichten over Kakuma: 'A haven all the same'. Of ze beginnen een handeltje in gevonden plastic zakken. Of ze wachten uren voor het kantoor van een hulpverlener om een afwasteil te krijgen, of reispapieren, of hulp in een conflict.

Ledigheid is hun grootste schrikbeeld. Want van niks doen ga je peinzen en van piekeren ga je dood. Liever azen ze op kansen. Als wandelende vertegenwoordiger van de welvaart lijk ik zo'n kans. Ze overhandigen mij met de hand gekrabbelde levensgeschiedenissen, zodat ik in Europa voor hen een sponsor kan zoeken. Ze vragen mij om voorspraak bij de hulpverleners. Hun hoop is al net zo groot als hun tomeloze dadendrang.

Elke bevolkingsgroep heeft zijn winkelstraten

Ballingschap heeft ook de ondernemingszin en het verlangen naar God niet gedoofd. Elke godsdienst heeft zijn eigen zelfgemaakte kerken. Tempels in schuren, moskeeën van golfplaat en kansels in de open lucht. In een gigantische kraal woon ik een Anglicaanse kerkdienst bij waar de gelovigen geen genoeg van krijgen, ook al duurt hij ruim twee uur. Duizenden mensen zitten op zetels van gedroogde modder of hangen in bomen. Als trofeeën steken ze houten kruisen omhoog.

Elke grote bevolkingsgroep heeft ook zijn eigen winkelstraten. De Addis Ababastraat in de Ethiopische gemeenschap is verreweg het grootst en rijkst gesorteerd met zijn winkels-van-sinkel, zijn boutiques vol tweedehands kleding, zijn slagerijen. Wie geld heeft, kan eten in een van de eenvoudige restaurants. Of familieleden in een van de schamele hotels laten overnachten. Met een goedgevulde beurs kun je in de Somalische winkelbuurt 'klein Mogadishu' ook het verdovende middel Miraa krijgen (500 Keniaanse shilling, vijftien gulden per portie), illegaal per satellietverbinding naar Djibouti bellen (30 shilling, 90 cent, per minuut) of in een van de bars een escort service bestellen (200 shilling, 6 gulden, per meisje, per keer). In Somali Cafetaria kijk ik voor 60 cent naar een karatefilm, terwijl mijn buurman bij elke klap door zijn bruine tanden fluit.

Verdreven uit het paradijs

Simon Galuak Chop heeft 3.400 kilometer moeten lopen om in Kakuma te komen. Toen hij in 1987 vertrok, was hij zeven. Tot op dat moment had hij een onbekommerd leven geleid in zijn geboortedorp, niet ver van de stad Bor in Zuid-Soedan. Zijn vader had wel honderd koeien, geiten en schapen. Zijn moeder bewerkte de vruchtbare grond. Groen was het land en groen waren de bossen. Koel en regenrijk en eindeloos. De lap grond waar hij zijn dieren weidde, was groter dan heel Kakuma.

Dertien jaar geleden werd hij uit het paradijs verdreven. De slepende burgeroorlog tussen de Arabische islamitische regering en het opstandige, zwarte, christelijke zuiden vlamde weer eens op. Dit keer was de streek bij Bor de klos. Regeringstroepen openden het vuur op de kerk waar Simon zich met andere dorpsgenoten verstopt had.

Hij zag zijn ouders sterven, hij hoorde vriendjes kermen, hij kon nog juist ontkomen toen de kerk in brand gestoken werd.

Dertien jaar geleden kwam er in het zuiden van Soedan een gigantische vluchtelingenstroom op gang. Maar er was iets merkwaardigs met die marcherende meute. Volwassenen bleken vrijwel te ontbreken. Mannen waren gedood of hadden zich aangesloten bij het Soedanese Volksbevrijdingsleger (spla). Vrouwen en meisjes waren als oorlogsbuit gekaapt. De spla dirigeerde de jongens naar Ethiopië om ze daar te trainen als guerrillastrijder. Die eindeloze massa die zich tergend traag naar het buurland sleepte, was een kinderkaravaan.

De tocht naar Ethiopië was nog maar hun eerste etappe. Toen dictator Mengistu Haile Mariam, de Ethiopische steunpilaar van de spla, in 1991 werd verdreven, moesten ze opnieuw op de loop. Terug in Zuid-Soedan werden ze bestookt door de luchtmacht. En opnieuw trokken ze verder, dit keer naar het zuiden. Tussen mei en augustus 1992 arriveerden ze in Kakuma.

Over de verschrikkingen op die lange mars van 3.400 kilometer spreekt Simon Galuak Chop zonder veel emotie. Alleen draait hij zijn ogen soms weg of klemt zijn kaken wat vaster op elkaar. Hij vertelt over het wilde fruit, de gedroogde bladeren en de boomschors die ze aten. De kleinste kinderen stierven als ratten. Voor het begraven van de doden hadden ze geen tijd.

Soms werden ze dagenlang door leeuwen en hyena's achtervolgd. Nog steeds hoort hij het geluid van een bek die de nek van een vriend brak. Maar het ergste, het allerergste, vond hij de slachting bij de grensrivier de Gilo. Achter hen joegen de Ethiopische soldaten, en voor hen was het brede water. De kinderen die niet doken, werden als konijntjes doodgeschoten. Maar veel van de kinderen hadden nog nooit gezwommen. 'Zoveel doden', zegt Simon met een verontschuldigende glimlach. 'Niets kon ik doen.'

Bij het begin van de uittocht telde de karavaan naar schatting 30.000 kinderen. In Ethiopië waren er nog 25.000 over. Niet meer dan 12.000 haalden Kakuma. Amerikaanse media doopten hen de 'Lost Boys'. Zo is Kakuma ontstaan, als een toevluchtsoord voor 'zoekgeraakte jongens'.

Sjoemelaars, ritselaars, gauwdieven

Tienduizenden Soedanese burgers zijn de kinderen sindsdien gevolgd. De meesten komen uit noodzaak, sommigen uit vrije wil. Een vluchtelingenkamp werkt als een magneet op sloebers en verschoppelingen. Soedanese ouders sturen hun kinderen naar Kakuma voor de scholen. Zonen dragen hun zieke moeder op de rug naar het kamp voor medische verzorging. Guerrillastrijders van het spla stallen vrouw en kinderen in Kakuma. Moegestreden of stukgeschoten krijgers gebruiken het kamp als herstellingsoord.

Met 49.000 vormen de Soedanezen in Kakuma veruit de meerderheid. Maar sinds de Keniaanse regering halverwege de jaren negentig besloot om de vluchtelingenvloed te concentreren op twee plaatsen, wordt Kakuma ook bevolkt door Somaliërs, Ethiopiërs, Oegandezen, Congolezen, Rwandezen, Burundezen en Eritreeërs. Zeven nationaliteiten, twintig stammen, moslim-fundamentalisten zowel als christenen.

In de hiërarchie van het kamp staan de 2.000 Ethiopiërs op een zame hoogte. Zij hebben de meeste winkels in handen, ze hebben de beste baantjes. Zij hebben onderwijs gevolgd. Ooit behoorden ze in hun land tot de onderdrukkers. Onder het bewind van dictator Mengistu waren ze hooggeplaatste ambtenaar of officier in het leger. Een deel van hun bezittingen namen ze mee op hun vlucht.

Ook veel van de ruim 13.000 Somaliërs vertrokken niet met lege handen, nadat hun staat in 1993 uit elkaar was gespat. Ook zij beheersen in het kamp een onevenredig groot deel van de economie. Sjoemelaars, ritselaars, gauwdieven zijn het. Dat zeggen ze zelf. Hebben ze een bewaker voor hun winkel nodig, dan zullen ze altijd een Soedanees boven een Somaliër verkiezen. Want ze vertrouwen niemand, maar het minst nog een landgenoot.

Vluchtelingen zijn niet per definitie onschuldige slachtoffers. In Kakuma woont ook een voormalige lijfwacht van de Oegandese dictator Milton Obote. In het kamp verblijven ook Rwandezen die bij de volkerenmoord in 1994 betrokken zijn geweest. Van collaborateur tot vluchteling is maar een kleine stap als het tij van de geschiedenis zich tegen je keert.

Diplomatieke charmeur

Saber Azam is de baas van het bijkantoor van de UNHCR, de VN-organisatie voor de vluchtelingen. Samen met zijn staf van vijftien Kenianen en zes andere Afrikanen coordineert en controleert hij de hulpverlening in Kakuma. Dat is al bijna een halve eeuw het monopolie van het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de VN.

Andere internationale organisaties doen het echte werk. Het Wereldvoedselprogramma (wpf) zorgt voor de aanvoer van eten.

De Lutheran World Federation (lwf) is verantwoordelijk voor onderdak, water, onderwijs, sociale dienstverlening en hygiëne.

Het International Rescue Committee (irc) regelt de gezondheidszorg. In totaal werken bij die organisaties bijna vijftien buitenlanders en ruim 380 Kenianen. Het overgrote deel van het werk doen de vluchtelingen zelf. Zij vervullen meer dan 3.000 functies, van grafdelver tot medisch assistent, van nachtwaker tot tolk. Ook de meeste leerkrachten in het kamp zijn vluchteling.

Azam is zelf een balling. Ruim een kwart eeuw geleden kwam hij vanuit Afghanistan naar Zwitserland om nucleaire techniek te studeren. De politieke ineenstorting van zijn land heeft hem overvallen. De Afghaan is inmiddels tot Zwitser genaturaliseerd. Maar hij weet nog goed 'hoe het voelt om vluchteling te zijn'. De neerslachtigheid, het isolement, de onzekerheid, hij heeft het allemaal doorleefd. Zoals hij ook zijn inventiviteit heeft ontdekt, zijn overlevingsdrang, zijn doorzettingsvermogen. 'Als vluchteling moét je wel slagen. Het kan geen toeval zijn dat het machtigste land ter wereld bestaat uit het nageslacht van landverhuizers en vluchtelingen. Ook Einstein was een vluchteling.'

Het plezier dat hij aan zijn baan ontleent, noemt hij met een weids gebaar 'gigantisch'. Al ziet hij zijn familie in Zwitserland maar één keer per jaar, meestal in de winter, omdat hij sneeuw op zijn huid wil voelen. Al heeft zijn gezin geen idee welke ongemakken en gevaren hij trotseert. 'Dit werk biedt me elke dag opnieuw de kans om iets tot stand te brengen, met elk idee dat ik uitvoer, elk project dat ik van de grond krijg, elk besluit dat ik neem.'

Wie deze diplomatieke charmeur over 'zijn vluchtelingen' hoort praten - gloedvol, hypnotiserend, in een voortdurende concurrentie met het gebrom van de airconditioning - moet wel denken dat hij in een modelkamp terechtgekomen is. Waar anders werken VN, hulp organisaties en vluchtelingengroepen zo eendrachtig samen? Waar elders worden de afgevaardigden van de vluchtelingen zo uitgebreid geconsulteerd en geïnformeerd? In Afrika is er geen kamp dat zich qua onderwijsvoorzieningen met Kakuma kan meten. 'Kakuma is een van de moeilijkste en best geleide kampen ter wereld.' Azam zegt het zelf.

Natuurlijk zijn er wel probleempjes. Azam vermeldt ze bijna achteloos. Er is al maanden een tekort aan voedsel. Door de aanhoudende droogte van de laatste jaren is het grondwater tot een onrustbarend peil gedaald.

En dan zijn er de onverwachte bezuinigingen. Twintig procent minder dan de begrote 22,6 miljoen dollar heeft de VN-organisatie dit jaar in Kenia te verteren. Dat betekent ook minder geld voor de hulporganisaties die gedeeltelijk door de UNHCR worden betaald.

Hoe langer een kamp bestaat, zegt Azam, hoe groter het gebrek aan interesse. Een verpletterende vermoeidheid overvalt de internationale gemeenschap zodra een crisis permanent dreigt te worden. Nood die blijft duren, maakt gevoelloos. Financiële steun droogt op en voorzieningen worden tot op het bot gesaneerd.

Hulpverlening is de kurk

Vluchtelingen missen elke greep op hun bestaan. Eenmaal in een kamp zijn ze niet meer overgeleverd aan het noodlot, maar uitgeleverd aan de hulporganisaties. Sommige vluchtelingen zien weinig verschil. Hun leven in het kamp noemen ze 'verwarrend' en 'onzeker'. De ene maand krijgen ze wel olie om te bakken, dan maanden weer niet. En welke mechanismen achter al die grillen schuilgaan, ze hebben geen vermoeden. Elke dag is een loterij.

Kakuma is toevluchtsoord maar ook gevangenis, al staan er geen muren omheen en kan iedereen vrij in en uit. Anders dan veel andere Afrikaanse naties laat Kenia niet toe dat de vluchtelingen zich vestigen in het gastland. Geldschieters manen hulporganisaties altijd om vluchtelingen toch vooral voor zichzelf te laten zorgen. Maar die 'zelfvoorziening' is een illusie in Kakuma. Voor het bewerken van het land ontbreekt het water, en het hoeden van vee wordt door het lokale nomadenvolk van de Turkana's niet toegestaan.

Iedereen in het kamp is afhankelijk van de hulpverlening. Dat geldt voor de gelukkigen die op de loonlijst van de hulporganisaties staan. Dat geldt ook voor ambachtslieden en ondernemers. Zonder hulpverlening geen opdrachten of geld. Hulpverlening is de kurk waar iedereen op drijft.

De doelstellingen van de UNHCR laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Een vluchteling dient te worden beschermd. Hij moet eten en drinken krijgen, en onderdak en medische zorg. Hij heeft recht op een waardig bestaan. Makkelijk gezegd. Maar in Kakuma zijn de bewoners niet veilig. Een 26-jarige Soedanees die voor zijn hut lag te slapen, is vorige week nog door twee gewapende Turkana's vermoord.

Massale vechtpartijen hebben zich niet meer voorgedaan sinds leden van de Soedanese stammen Dinka en Didinga elkaar begin 1999 met speren en zwaarden te lijf gingen. Er vielen zes doden. Meer dan 200 mensen raakten gewond. Maar zulke tribale conflicten liggen voortdurend op de loer. Begin dit jaar kon alleen met geluk een confrontatie worden voorkomen, nadat Somaliërs nacht na nacht in totaal bijna vijfhonderd van hun hutten in brand hadden gestoken, een mislukte poging om permanente vestiging af te dwingen in een Westers land.

Formeel is bescherming van vluchtelingen de verantwoordelijkheid van de Keniaanse regering. Maar 'de Keniaanse overheidsvertegenwoordigers hebben weinig belangstelling voor vluchtelingen', concludeert het rapport A State of Insecurity dat vorig jaar is opgesteld in opdracht van de UNHCR. De VN-organisatie heeft de animo wel proberen te stimuleren door de politie in Kakuma te voorzien van bureaus en patrouilleauto's en haar premies te betalen. 'Maar de veiligheidssituatie blijft onvoldoende', erkent Ben Ngiara, de UNHCR-veiligheidsfunctionaris in het kamp. Hij schat de geboden bescherming op 'niet meer dan zeventig procent'.

Allen wie een kaart heeft, bestaat

Ook de voedselvoorziening is niet gewaarborgd, nog zo'n loos basisrecht. Ik luister naar Devesh Shakhdar, de Indiase baas van het Wereldvoedselprogramma in Kakuma. Hij zucht dat de voedselschenkingen van de rijke landen stagneren. Hij klaagt over sabotage door de Keniaanse douane. En je weet nooit wanneer de vrachtwagens met voedsel arriveren. Nu eens hebben ze panne, dan weer rijden ze in een hinderlaag.

Daarom lukt het hem opnieuw niet om de vluchtelingen aan een dagelijks rantsoen van 2200 kilocalorieën te helpen, wat door de Wereld Gezondheidsorganisatie als het absolute minimum wordt beschouwd. Maar in een vergadering met kampvertegenwoordigers heeft hij het alleen maar over de grote vooruitgang die is geboekt ten opzichte van de vorige distributie. Hij spreekt zelfs over 'een passende en afgewogen portie'. De vluchtelingen krijgen 1897 kilocalorieën per dag, de vorige keer was dat maar 1453.

Een passende en afgewogen portie? Ik loop mee met de 15-jarige Aduk Galuak Deng, zone drie, groep 36-a, registratienummer 929965. Zij zorgt voor twee broers van vijf en zeventien, sinds haar moeder vier jaar geleden in het kampziekenhuis overleed.

Haar vader die streed in het Soedanees Volksbevrijdingsleger, is al zes jaar dood. Ze staat al anderhalf uur in de rij bij Voedseldistributie centrum 1. Met haar hand op haar borst, om de registratiekaart te beschermen die aan een ketting onder haar t-shirt hangt. Die kaart beslist in het kamp over dood en leven. Alleen wie een kaart heeft, krijgt voedsel. Alleen wie een kaart heeft, bestaat.

Geduldig schuifelt ze door het netwerk van houten hekjes die de hongerigen in goede banen moeten leiden, naar poort 3: dat is de toegang voor driepersoonshuishoudens. De plastic zakjes die ze van huis heeft meegenomen, laat ze vullen met haar rantsoen voor vijftien dagen. Een afgestreken pan vol maiskorrels, een kleinere pan met tarwebloem, een plastic maatbeker met linzen, een mok gevuld met soya mengsel en de dop van een jerrycan met zout: 235 gram mais, 200 gram tarwebloem, 60 gram linzen, 40 gram soyamengsel, 5 gram zout per persoon, per dag.

'Weer geen bakolie.' Ze constateert het gelaten. Hoe kan ze koken zonder olie? Even verderop knielen de mannen met flesjes olie. Naast het distributiecentrum is een markt ontstaan. Hier kun je je rantsoenen ruilen. Voor mariakaakjes, voor slippers. Maar de ruilvoet is ongunstig en de rantsoenen zijn al minimaal.

Een tandeloze Turkana-vrouw raapt maiskorrels op die vluchtelingen morsen. Want hongeriger en nog armoediger dan de vluchtelingen zijn de plaatselijke Turkana's buiten het kamp. Ethiopiërs en Somaliërs die het zich kunnen veroorloven, laten hun voedselzakken dragen door tot op het bot vermagerde Turkana's. Turkana-meisjes bieden zich aan voor een handvol meel.

De woede onder de hulpverleners over de voedselsituatie die al maanden ondermaats is, neemt toe. 'Misdadig', zegt Paul Mitchel, de Britse vertegenwoordiger van de Windle Charitable Trust die het Engels onderwijs voor gevorderden verzorgt. 'Walgelijk', vindt Jenty Wood, hoofd van de medische hulpverleningsorganisatie irc in Kakuma. Zij heeft het percentage ondervoede peuters en baby's in het kamp dit jaar van 8 tot 22 procent zien oplopen. In sommige van de omliggende Turkana-dorpen is 65 procent van de kinderen ondervoed. Jenty Wood kent de gevolgen maar al te goed. Verminderde weerstand. Ziekte. In het ziekenhuis zie ik de uitgeteerde kleintjes aan infusen liggen naast hun van angst verdoofde moeders. Gemiddeld sterven er per maand twintig kinderen onder de vijf jaar.

Idealisme in de vorm van nota's

Naast het vluchtelingenkamp Kakuma staat nog een ander kamp. Dat is de enclave van de hulpverleners. Een omheinde burcht, afgebiesd met prikkeldraad. Daarbinnen ligt de voorraad voedsel opgeslagen, staan de kantoren van de hulporganisaties en de sobere huizen van de hulpverleners. Voor de kantine gaapt een zwembad waarin nooit water staat.

De buitenlandse hulpverleners die ik tref, hebben verdacht veel weg van vluchtelingen. Ze hebben de armoe in hun land de rug toe gekeerd, zoals de Afrikaanse vertegenwoordigers van de UNHCR die hun werk toch vooral als stap in een internationale carrière zien.

Of ze zijn de grijsheid en de braafheid van het Westen ontvlucht.

Ze klagen: 'Thuis verveel ik me zo snel.' Of: 'In Europa houd ik het niet uit.'

Allemaal maken ze idioot lange dagen. Ook in het weekend zitten ze over hun papierwerk gebogen. Iets anders valt in Kakuma toch niet te doen. Allemaal hebben ze het idee dat ze met iets nuttigs bezig zijn. Maar hun idealisme blijft aards en krijgt alleen maar vorm in nota's. De organiserende en coordinerende taken die ze vervullen, zorgen altijd voor distantie. Sommigen kennen de vluchtelingen alleen van de rapporten op hun bureau.

Hulpverleners hebben zo hun eigen voedselproblemen. Het eten in de kantine kent weinig variatie. Ugali, een Afrikaanse maisbrij.

Of rijst of doorgekookte pasta. Daarnaast vlees of vis, steeds hetzelfde klaargemaakt. Verder linzen of bonen, en gesneden witte kool die nergens naar smaakt. Zelden verse groenten, zelden fruit. Alleen in het weekend een pizzabroodje en zelfs dat niet altijd.

Buitenlandse hulpverleners maken zich zorgen over hun gezondheid. Krijgen ze wel voldoende vitaminen? Zo groot is het ongenoegen dat ze een speciaal actiecomité hebben gevormd. In afwachting van resultaten voeren ze toast en Franse kaasjes aan als ze één keer in de zes of zeven weken op verlof naar Nairobi vliegen. Voor het vertrek verlustigen sommigen zich aan de boodschappenlijstjes: met kaviaar en champagne. Tot wrevel van anderen die smalen over 'de dames van de partytafel'. 'De apartheidstafel', verbeteren de Keniaanse hulpverleners. Blanken zitten bij blanken, zwarten bij zwarten, Japanners bij Japanners. De multiculturele samenleving is binnen de 'compound' al net zo'n illusie als in het vluchtelingenkamp.

Hulpverleners voelen zich net zomin veilig als de vluchtelingen. Dan denken ze niet eens aan de gewapende bendes die de streek onveilig maken. Meer nog vrezen ze dat de vluchtelingen zich tegen hen keren. De onvrede over de voedselsituatie heeft al geleid tot een wegblokkade waarbij met stenen is gesmeten. En de hulpverleners weten dat de nood de komende maanden alleen maar verder zal toenemen. Er is geen geld meer voor basisproducten die de vluchtelingen in het verleden bovenop hun rantsoen ontvingen. Geen stuk zeep meer. Zelfs geen bundel brandhout meer, al weet niemand hoe de vluchtelingen zonder brandstof moeten koken.

Daar komt bij dat er al bijna een jaar een arbeidsconflict sluimert onder de 3.000 vluchtelingenwerkers. Ze eisen harmonisering van hun 'premies' die geen lonen mogen heten. Maar ze bedoelen eigenlijk een loonsverhoging als compensatie voor de geldontwaarding. Maandelijkse premies variëren van 1.400 Keniaanse shilling (42 gulden) voor een bewaker tot 5.500 Keniaanse shilling (165 gulden) voor de directeur van een middelbare school.

Maanden zijn ze aan het lijntje gehouden. Maar de hulporganisaties kunnen er niet langer omheen rechtuit te zeggen dat er van structurele premieverhogingen geen sprake kan zijn. Sterker nog, de 20 procent korting op de UNHCR-begroting voor Kakuma dit jaar dwingt de organisaties tot het ontslag van honderden vluchtelingen en tientallen Kenianen. Maar dat wordt pas gezegd als de cheque van de UNHCR eindelijk gearriveerd is. Twee maanden al hebben de vluchtelingenwerkers geen premie gehad.

'Er komt rotzooi in het kamp', voorspelt Armian Pressmann, de Duitser die voor de charitatieve instelling Don Bosco het technisch onderwijs leidt. 'De vlam kan elk moment in de pan slaan.' Pressmann vervult in de 'compound' de rol van de onheilsprofeet Kassandra, al worden niet al zijn noodsignalen in de wind geslagen. Hulporganisaties maken zich op voor een snelle aftocht. Volgens de normen van de VN zit Kakuma al in veiligheidsfase drie, de laatste fase voor een evacuatie. Hulpverleners mogen in het kamp geen familie ontvangen, omdat het gevaar voor hen te groot wordt geacht.

In het veiligheidsplan voor het kamp hebben de belangrijkste locaties een codenaam gekregen. Vluchten kan alleen over de 'Camel Road' of 'Donkey Road'. Om die codes onder de knie te krijgen, houden de hulpverleners nog deze maand een training. 'Wie zakt, krijgt een gratis doodskist uit de werkplaats van Don Bosco', spot Birgit Holtz, de Duitse leider van een landbouw- en milieuproject, tijdens de wekelijkse stafvergadering die ik als toeschouwer bijwoon. Niet iedereen is gerust op een veilige aftocht. 'We zijn door prikkeldraad omgeven', zegt de Nederlandse Wilma Wassenaar die voor het Olympisch Comité noc/nsf een sportproject runt. 'We zitten als ratten in de val.'

Het meest geliefde beroep is dokter

Acht jaar leven de 'Lost Boys', de zoekgeraakte jongens, al in Kakuma. Van de 12.000 kinderen die destijds arriveerden, zijn er 6.000 over. Een deel ging terug naar Soedan om in het Soedanese Volksbevrij dings leger te vechten. Een deel werd opgenomen door familie. De rest leeft nog altijd in jongensgroepen samen. Ze zijn inmiddels tussen de 15 en 26 jaar. Ze hebben 'dorpen' gevormd die in het kamp makkelijk zijn te herkennen. Hun eenvormige blokken van hutten staan keurig op een rijtje met glinsterende daken van platgeslagen voedselblikken. Volwassenen hebben ze niet nodig. Ze hebben al zo lang voor zichzelf gezorgd.

De 20-jarige Simon Galuak Chop heeft zich over tien jongens en een meisje ontfermd. 'Of eigenlijk', zegt hij, 'zorgen we allemaal voor elkaar.' Als ze merken dat een van hen verdriet heeft, gaan ze met zijn allen in een kring zitten. Dan bidden ze en proberen 'degene die zich zwak voelt' op andere gedachten te brengen door over sport of school te praten. Dan peperen ze elkaar in dat het geen zin heeft om te treuren over dode ouders, want dat ze dan alleen maar zwakker worden en ook zullen sterven. Sterk waren ze al jaren en sterk moeten ze blijven. 'Om nuttige mensen te worden in de maatschappij.'

De Amerikaanse antropologe en jeugdwelzijnswerkster Julianne Duncan heeft de afgelopen maanden meer dan honderd van die kinderen gesproken. Altijd verschenen ze keurig gewassen op hun afspraak. Maar de vodden aan hun lijf konden ze niet verbergen.

Ze hadden meestal honger. Voor weinigen in het kamp zijn de rantsoenen toereikend, en al helemaal niet voor tieners in de groei. Soedanezen van de Dinka-stam zijn van nature toch al lange mensen van 1,80 meter of meer.

En ze zijn angstig, zegt Julianne Duncan. 'Bijna allemaal lijden ze aan onverwerkte trauma's. Bijna allemaal klagen ze over slaapstoornissen, nachtmerries, concentratieproblemen. Bij de geringste onrust in het kamp komen de verschrikkingen van hun voettocht weer boven. Nog steeds zijn ze bang dat ze op elk moment gedood of gewond kunnen worden.' Kakuma heeft aan hun lijdensweg geen eind gemaakt.

Toch vond Duncan tot haar verbijstering bij de kinderen geen spoor van wraakzucht, geen zweem van agressie. Ze hebben hun verschrikkelijke ervaringen omgezet in een heftig verlangen om hun medemens te helpen. Het meest geliefde beroep onder de kinderen is dokter. De jongens hebben al hun hoop op scholing gericht. 'Onderwijs stellen ze gelijk met veiligheid.' Ze hebben geen familie meer die voor bescherming en materieel welbevinden zorgt. Scholing zien ze als de enige manier om zelfvoorzienend te worden.Daarom zeggen ze: 'Onderwijs is mijn vader en moeder.' Met een onschuld en optimisme dat volgens Duncan af en toe hartverscheurend is.

Bijna allemaal zijn ze heel kinderlijk voor hun leeftijd. Ook die lange 'Lost Boys' die inmiddels volwassen zijn geworden, tasten schuchter naar mijn hand. Een enkeling zegt dat hij geen weg weet in de wereld en kijkt me dan diep in de ogen. 'Weest u mijn vader. Zegt u me wat ik in hemelsnaam moet doen.'

Honger naar wetenschappelijke boeken

Onderwijs is de trots en troost van Kakuma. Maar met die scholen gaat het fout, waarschuwt het kampblad Kanebu dat door vluchtelingen wordt gevuld. 'Het onderwijs degenereert.' Kinderen van acht kunnen na drie jaar school het woord 'jongen' niet spellen. In klassen van 120 tot 130 scholieren hebben ze de letters van het alfabet nooit geleerd. De Brit Paul Mitchel die Engels voor gevorderden geeft, bevestigt dit beeld, al neemt hij de goede onderwijzers in bescherming. Hij kent ook die anderen die alleen maar via vriendjes of steekpenningen aan hun baan zijn gekomen. Ze kunnen zelf geen opstel schrijven. Mitchel noemt het onderwijspeil 'abominabel'.

Ook de bibliotheken, een andere pijler van het modelkamp Kakuma, blijken bij nadere beschouwing veel minder verheffend dan de voorlichtingsfolder suggereert. Vluchtelingen kunnen voor hun existentiële levensvragen misschien terecht in 'Charlie Brown's Superbook of Questions and Answers' of in 'The Conflict between Liberty and Equality', maar verder staan er op de planken wel heel veel werken over de World Series Baseball in de jaren vijftig. Volgens de bibliothecaris bestaat er in het kamp een schreeuwende honger naar wetenschappelijke boeken. Helaas is het leeuwendeel van de beschikbare werken, door een Amerikaanse senator geschonken, meer dan vijftig jaar oud.

De enige projecten die door de vluchtelingen in het kamp zonder terughoudendheid worden geprezen, zijn de technische scholen van Don Bosco en het sportprogramma van het Nederlandse noc/nsf. Wekelijks komen zo'n 15.000 voetballers, volleyballers, basketballers en 'netballers', een soort korfballers, in actie, verspreid over bijna duizend teams. noc/nsf levert ballen, netten, shirtjes en de organisatie. Verder hebben de Nederlanders in het kamp een groot aantal spelletjes verspreid, zoals dart, schaken, dammen, tafeltennis en mens-erger-je niet. Gehandicapten zoals de Soedanese oorlogsinvaliden kunnen meedoen aan rolstoelbasketbal.

Sinds het sportproject twee jaar geleden begon, is de misdaad in het kamp gedaald, zegt de UNHCR. Tieners hebben na school tenminste iets te doen. En sport geeft vreugde. De Amerikaanse jeugdwelzijnswerker Julianne Duncan vertelt over haar zwaarbeladen gesprekken met de 'zoekgeraakte jongens', zonder enig moment van verlichting of vreugde. Tot ze vraagt of ze misschien een hobby hebben. Dan breken ze open en prevelen ze 'volleybal' of 'voetbal' en verschijnt er voor het eerst een lach op hun gezicht.

Connecties en geld

De vluchtelingenbevolking van Kakuma is in twee kampen te onderscheiden. De zwakken die in stilte lijden en de sterken die zich redden met connecties en geld. Zij maken de meeste bombarie, zoals de Soedanese kruidenier en bioscoophouder Zachariah Arok die zich bij mij op luide toon beklaagt over 'het armzalige ezelsvoer'. Zij kennen alle trucjes die ze me fluisterend toevertrouwen, omdat ze trots zijn op hun boerenslimheid. Sluiproutes in overvloed.

Als je kindje sterft, waarom zou je het dan niet zelf begraven? Waarom zou je dat melden bij de UNHCR? Het voedselrantsoen van je dochter kun je maar al te goed gebruiken voor de rest van je kroost. Je kunt natuurlijk ook zeggen dat je voor zaken naar Nairobi moet, zoals veel Somaliërs doen. De benodigde reispapieren betaal je met smeergeld: 1.000 tot 2.000 shilling, 30 tot 60 gulden. Of je koopt onderweg de politieagenten om. Je registratiekaart laat je uiteraard achter, liefst tegen betaling. Bij terugkeer kun je altijd zeggen dat je hem verloren bent.

Een andere variant: je gaat terug naar Soedan om te vechten, of je gaat eens poolshoogte nemen hoe het met familieleden staat. Ook dan blijft je kaart natuurlijk achter. Bij terugkeer laat je je als nieuwe vluchteling registreren. De volgende keer nog eens. Dan heb je al drie kaarten. Dan noemen ze je in het kamp 'recycler'.

Je kunt natuurlijk ook direct een nieuwe kaart kopen bij je vaste adresje in de compound, de hulpverleningsburcht. Begin dit jaar was de prijs voor een tienpersoonskaart nog 3.000 shilling, 90 gulden, maar sinds de voedselschaarste is het tarief gestegen tot 5.000 shilling. Begin dit jaar raamde de UNHCR de kampbevolking nog op 93.000, op grond van de registratiekaarten. Bij de hoofdelijke telling in mei bleken er maar 66.000 vluchtelingen te zijn.

'Vluchtelingen in Kakuma worden veel te veel in de watten gelegd', vindt Armian Pressmann van Don Bosco. 'Waarom moet je vluchtelingen een vergoeding geven voor het werk dat ze voor het kamp verrichten? Hoe meer ze krijgen, hoe meer ze vragen. Je kunt het ze niet kwalijk nemen. Zo zijn ze opgevoed. Jaren leven in het kamp heeft ze geïnstitutionaliseerd. Geef ze een vinger en ze grijpen naar je strot.'

Pressmann, met zijn onafscheidelijke pet, is in het kamp een buitenbeentje, omdat hij de confrontatie niet uit de weg gaat. Vluchtelingen of VN-baas, hij vertelt iedereen waar het op staat. Toen voor één van zijn technische scholen een generator moest worden afgeladen en de verzamelde vluchtelingen na vijf minuten zwoegen een dagvergoeding eisten, gaf hij ze een aansteker en een hamer. Hij zei: 'Ik heb dit ding niet nodig. Het is van jullie.' Binnen een minuut dropen ze af.

Pressmann heeft gruwelijk de pest in als hij weer eens door een vluchteling wordt benaderd voor 500 shilling, 15 gulden. Als er een beroep op hem wordt gedaan, niet als hulpverlener, maar 'als vriend'. Dan zegt hij dat hij 66.000 vrienden in het kamp heeft en dat hij die niet allemaal kan helpen. En als die vluchteling hem dan subtiel herinnert aan zijn mooie huis in Duitsland, zijn grote auto, dan wordt Pressmann pas goed nijdig. Dan zegt hij: 'Moet ik me soms excuseren, omdat ik meer geluk heb dan jij? Jij bent op de verkeerde plaats geboren en ook nog op het verkeerde tijdstip. Dikke pech. Vluchteling zijn is nu eenmaal geen lolletje.'

Twintig jaar werkt hij al in Afrika, waarvan vijf in Kakuma. Hij is gekomen voor het avontuur, en voor het eindeloze landschap, de tomeloze leegte. Hij denkt wel eens dat hij de enige is wie het in Kakuma bevalt. Maar wat hem betreft mogen ze het kamp onmiddellijk opdoeken en naar het zuiden van Soedan verplaatsen. Daar zijn toch hele regio's waar allang niet meer wordt gevochten? De VN kunnen met Soedan toch wel regelen dat er veiligheidszones voor de burgerbevolking komen? Dat zou een stuk goedkoper zijn, beter voor de vluchtelingen en voor de ontwikkeling van Zuid-Soedan. Maar de UNHCR vindt het wel best zo. 'Die organisatie leeft van vluchtelingen.' En ook de hulporganisaties maken geen bezwaar. 'Dus is iedereen tevreden. Maar kloppen doet het niet.'

Hoofden van hulporganisaties klagen over de oeverloze vergadercultuur in het kamp. Een kwart van hun tijd zijn ze kwijt aan besprekingen. Nog eens een kwart gaat op aan het schrijven van rapporten en nota's waarvan ze het nut vaak niet inzien. Niet meer dan de helft van hun tijd zijn ze bezig met organiseren en coördineren. En dan moeten ze hun werk ook nog vaak onmiddellijk uit hun handen laten vallen, omdat de UNHCR weer plotseling een delegatie op bezoek heeft. 'Alsof ze die bezoeken niet lang van tevoren kunnen zien aankomen', briest Wilma Wassenaar van het NOC/NSF.

De ergernis onder de hulpverleners is groot over wat ze beurtelings omschrijven als 'de bureaucratie', 'het amateurisme' en 'de arrogante machtsbelustheid' van de UNHCR. Birgit Holtz van de Duitse organisatie gtz vindt dat de VN-organisatie zich moet beperken tot toezicht, en zich niet ook nog eens moet bezighouden met financiering en uitvoering. 'Daarvoor is ze niet capabel. Door al die verschillende petten komt ze voortdurend in conflict.'

Armian Pressmann van Don Bosco noemt de UNHCR 'een dinosaurus die zichzelf heeft overleefd'. Dat ze nog bestaat is ook de schuld van de hulporganisaties, vindt Pressmann. Zij zijn te veel gefixeerd op onderlinge concurrentie. Ze durven niet op te staan tegen een organisatie die het monopolie op het internationale vluchtelingenwerk bezit. Ooit hoopt Pressmann nog een boek schrijven 'over de waanzin van de vluchtelingenindustrie.'

Saber Azam, het plaatselijke UNHCR-hoofd, reageert op die kritiek zoals hij elke aanval pareert. Hij biedt geen weerstand maar veert mee als een behendige judoka, om het offensief vervolgens in zijn voordeel om te buigen. De UNHCR bureaucratisch? 'Iedere organisatie kent natuurlijk een zekere mate van bureaucratie.' De UNHCR heeft nu eenmaal de taak om de hulpverlening te controleren. Uitgaven moeten tenslotte ook worden verantwoord. 'Als dat bureaucratisch is, ben ik er trots op dat we bureaucratisch zijn.'

Doelloze satellieten in de ruimte

Acht jaar nadat de 'Lost Boys' in Kakuma kwamen, dolen ze nog altijd rond. Op de late zondagmiddag, als het al bijna donker begint te worden, dansen ze, met schokkende onderlijven, om de meisjes te imponeren, net zoals de jongens vroeger deden in hun dorpen. Maar ze weigeren om zich aan initiatierites te onderwerpen. Ze willen geen littekens, gekerfd op hun voorhoofd. Dat ze op die manier nooit een echte man kunnen worden, zoals de ouderen beweren, daar trekken ze zich niks van aan.

Oudere Soedanezen spreken bezorgd over de 'zoekgeraakte jongens'. Eén van de gemeenschapsleiders noemt hen 'satellieten die doelloos door de ruimte jagen'. Zonder wortels, nergens thuis.

Maar er is hoop op verlossing. De Verenigde Staten willen de jongens opnemen. De 600 jongste kinderen vertrekken nog deze maand. Die verhuizing was lange tijd omstreden. De UNHCR ziet liever dat de kinderen terugkeren naar ouders of familie, maar de meeste kinderen hebben de afgelopen jaren tevergeefs geprobeerd om via het Rode Kruis in contact met familie te komen. Kinderen die daar wel in slaagden, kregen vrijwel altijd te horen dat ze maar beter weg konden blijven, omdat de situatie in Soedan nog steeds te gevaarlijk is.

Simon Galuak Chop heeft geen idee wat hem aan de andere kant van de oceaan te wachten staat. Foto's of films van de vs heeft hij nog nooit gezien. Maar hij zal blij zijn als hij het kamp kan verlaten waar het leven hem zwaar valt en hij nooit zonder angst kan slapen. 'Maar ik mag niet ongeduldig zijn nu er een wending ten goede in zicht is.' In de VS wil hij werken en studeren en voor zijn groepsgenoten zorgen. Schuchter informeert hij of er in de vs genoeg te eten is.

Voor de andere vluchtelingen zit er niks anders op dan wachten. De meesten dromen van emigratie naar het rijke Westen, maar die hoofdprijs was vorig jaar in Kenia voor niet meer dan 8.000 vluchtelingen weggelegd.

Terug naar huis zit er voorlopig niet in voor de Soedanezen wier land al bijna een halve eeuw in een burgeroorlog is verwikkeld. Hoe langer ze in het kamp blijven, des te verder raken ze verwijderd van hun oorsprong. Ze verliezen hun trots. Ze zijn niet langer Soedanezen, maar ook in Kenia horen ze niet thuis. Ze zijn veroordeeld tot de volstrekt kunstmatige wereld van Kakuma. Schimmen in een schimmenrijk.

'Vluchteling zijn', zegt de Soedanese gemeenschapsleider James Okoth, 'is alsof iemand op de pauzeknop drukt van je leven. Je leven staat stil maar de tijd tikt door.'

Dick Wittenberg is redacteur buitenland van NRC Handelsblad.

Joachim Ladefoged (Transworld) werkt voor het Deense dagblad Politiken.

Hij werd tweemaal bekroond bij World Press Photo. Sinds kort is hij lid van fotoagentschap Magnum.

[streamliners] Ik slaap in het gastenverblijf waar de muggen geen moeite hebben om de gaten in het muskietennet te vinden.

Kakuma zindert van de energie. De vluchtelingen wachten niet apathisch op hun terugkeer.

Achter hen joegen de Ethiopische soldaten. De kinderen die niet doken, werden als konijntjes doodgeschoten.

Kakuma is een toevluchtsoord maar ook een gevangenis, al staan er geen muren omheen.

De veiligheidsfunctionaris schat de geboden bescherming op 'niet meer dan zeventig procent'.

De onvrede over de voedselsituatie leidde al tot een wegblokkade waarbij met stenen is gesmeten.

Ook die 'Lost Boys' die inmiddels volwassen zijn geworden, tasten schuchter naar mijn hand.

'Hoe meer ze krijgen, hoe meer ze vragen. Geef ze een vinger en ze grijpen naar je strot.'

In de VS wil Simon werken en studeren. Schuchter informeert hij of er daar genoeg te eten is.