BOON 5

In tegenstelling tot wat M.H.E. Siemers beweert in W&O van 25 november in reactie op wat Marita Mathijsen in haar column van 11 november schrijft: paardenbonen zijn geen tuinbonen. Wel zijn deze gewassen verwant, daar ze beide behoren tot het plantengeslacht der vlinderbloemigen.

Tuinbonen worden gekweekt voor menselijke consumptie. 's Zomers kan men ze vers kopen, het hele jaar door in de vorm van conserven in blik of glazen pot. In de volksmond noemde men tuinbonen ook wel Roomse bonen. In de provincie Groningen heten ze Waalse bonen.

Paardenbonen werden verbouwd om te dienen als veevoer en om verwerkt te worden in (andere) veevoederproducten. Een paardenboon is een harde soort boon, als menselijk voedsel niet in trek. Dat neemt niet weg dat in minder welvarende tijden dan we nu beleven na de oogst achtergebleven bonen werden geraapt (`gelezen') om er soep van te koken. Men gaf weliswaar de voorkeur aan bruine bonensoep, maar een behoorlijke voedingswaarde kan aan paardenbonen niet ontzegd worden. (Een boer in mijn geboortedorp, Beerta, gaf lang geleden, als de kippen niet meer aan de leg waren, zijn kinderen 's morgens achttien paardenbonen bij het ontbijt. Hij had uitgerekend dat achttien paardenbonen evenveel eiwitten bevatten als een kippenei).

Geweekt, lichtelijk ontkiemd, gedroogd en geroosterd werden paardenbonen, in doosjes of blikjes, in de handel gebracht als een soort lekkernij, enigszins te vergelijken met bepaalde borrelnootjes van tegenwoordig. Ze heetten dan Groninger mollebonen. Paardenbonen worden, althans op de Groningse akkers, niet meer verbouwd. De teelt ervan is niet meer lonend.