BOON 3

Als reactie op de column van Marita Mathijsen (W&O, 11 november) kan ik misschien enig licht verschaffen over de paardenboon, die op het menu stond in de strafkolonie Ommerschans. In de Dikke van Dale, twaalfde druk, staat als woordverklaring: landbouwras van de peulvrucht (vicia faba) van de vlinderbloemfamilie (verwant met de tuinboon). Bij het woord molleboon: (plantk.) soort van paardenboon, ook: geroosterde tuinboon.

Als kind, in 1946 in Deventer, at ik deze bonen als snoepgoed. Er was in die tijd niet veel `bonloos' snoep en we kochten na schooltijd bij Albert Heijn voor 5 cent een hele zak geroosterde mollebonen, niet echt lekker, maar je had wat te doppen en te knabbelen. Het is te vergelijken met de pistachenoot van tegenwoordig.

Enige tijd geleden was ik in Canada in het gebied van de St. Laurensbaai. Op het menu van een eenvoudig eethuisje langs de weg stond een Soupe de Gourgane. Dat woord gourgane zocht ik later op in een zeer oud Frans woordenboek (Kramers en Bonte) uit 1858 en dat gaf als betekenis: paardenboon. De soep zal waarschijnlijk een `eenvoudige, doch voedzame maaltijd' zijn, geen culinair hoogstandje, maar de paarden- of molleboon wordt daar dus nog gegeten.

Molleboon is trouwens ook een naam voor Groningers, zoals je voor tal van inwoners van Nederlandse plaatsen bij-, scheld- of spotnamen hebt. Ik weet niet of dit geldt voor de hele provincie of alleen voor de inwoners van Groningen stad.

    • Fiebep Oort-Hartstra Pijnacker