Wat een brave Britse rebellen!

All Hail the New Puritans is een nieuwe bundel verhalen van jonge Britse schrijvers, die zo op het eerste gezicht niet veel verschilt van de talloze andere jonge, hippe verzamelbundels die er de laatste jaren zijn verschenen, met titels als Disco Biscuits, Britpulp!, of New Scottish Writing. Maar terwijl die anthologieën nauwelijks de pers haalden, kreeg All Hail the New Puritans paginagrote besprekingen in alle toonaangevende opiniebladen, literaire tijdschriften en kwaliteitskranten.

Het verschil zit hem in één pagina aan het begin van het boek. Daarop staat `The New Puritan Manifesto' afgedrukt: tien regels voor het schrijven van `pure fictie'. De opstellers van het manifest, Nicholas Blincoe en Matt Thorne, vonden nog dertien andere schrijvers bereid zich aan deze regels te houden, onder wie Alex Garland, Toby Litt, Daren King, Geoff Dyer en Ben Richards. Het initiatief doet denken aan Dogme 95, het succesvolle manifest van Lars von Trier voor `zuivere' cinema. Hoewel de samenstellers er niet naar verwijzen, wordt Dogme 95 een paar keer genoemd in één van de verhalen in de bundel. En net als bij Dogme 95 blijken de bedoelingen van `The New Puritan Manifesto' bloedserieus.

Een godsgeschenk, zou je denken, voor al die vermoeide krantenredacteuren die immer ijverig achter de tijdgeest aanhollen met hun vlindernetjes, om de daarin aangetroffen eendagsvliegen uit te roepen tot de zoveelste gemuteerde generatie, zo niet een geheel nieuwe soort. Maar All Hail the New Puritans werd unaniem neergesabeld in de Britse pers. De samenstellers zullen er niet rouwig om zijn: zoveel weerstand versterkt alleen maar het revolutionaire, iconoclastische imago van het project. Toch waren in de Britse pers andersoortige verwijten te horen. `Conformistisch' zou de bundel zijn, `reactionair' zelfs, en een `slimme marketingstrategie'.

Waar staan de New Puritans eigenlijk voor? Allereerst zijn zij verhalenvertellers, aldus regel nummer één, met de nadruk op de plot. Verder mijden ze poëzie, genre-indelingen, ingewikkelde interpunctie, flashbacks, speculaties over verleden en toekomst, en andere verteltrucs. Ze noemen zich moralisten, staan eenvoud en `grammaticale puurheid' voor, situeren hun verhalen in het heden en verwijzen naar bestaande namen en producten. Maar `ondanks' deze regels, zeggen ze, is hun doel `integriteit van expressie'.

Lichtelijk ronkend allemaal, zoals het een manifest betaamt, maar toch vrij helder. Het is pas in de introductie bij het boek, waarin Blincoe en Thorne de ideeën achter hun regels uitleggen en verantwoorden, dat hun onderneming enigszins hol begint te klinken. Een paar constanten vallen hier op. Blincoe en Thorne houden niet zo van experimenten met vorm en stijl. Mede daarom zetten ze zich af tegen poëzie. Maar kunnen er al vraagtekens gezet worden bij de urgentie van een kruistocht tegen perfide poëten, de bewoordingen waarin Blincoe en Thorne de dichtkunst menen te moeten bestrijden zijn ronduit lachwekkend: `Poetry is defined by metre – ultimately by the stomp of jackboots. But fiction is defined through rhythm'. Hier bewijzen ze niets behalve een groot gebrek aan literair inzicht.

Het grote voorbeeld voor de New Puritans is film: `Vandaag de dag zou fictie zich moeten concentreren op de dominantie van de visuele cultuur, en zich moeten proberen te bewijzen als gelijke van deze media.' De auteurs vinden fictie dus blijkbaar niet `de gelijke' van het medium film. Ze lijken daarbij vooral de rechtlijnigheid, toegankelijkheid en het commerciële succes van Hollywoodfilms voor ogen te hebben. Dat blijkt ook uit het belang dat ze toekennen aan `spannende', dat wil zeggen, in simpele bewoordingen geschreven en chronologisch vertelde, verhalen. Hieraan verwant is misschien wel de meest onthullende stellingname van de puriteinen: hun afwijzing van ironie. Ironie is volgens Thorne en Blincoe namelijk onverenigbaar met spanning in een verhaal, `omdat het van te voren al aankondigt wat er staat te gebeuren'.

Hoe staat het nu met de verhalen in All Hail, die volgens deze principes zijn geschreven? Sommige schrijvers zijn inderdaad met rechtlijniger vertellingen gekomen dan we van hen gewend zijn. De bijdragen van Alex Garland en Daren King steken bleekjes af bij hun laatste romans, respectievelijk The Tesseract en Boxy an Star, twee interessante, fantasievolle, en (in het geval van King) geestige vormexperimenten. Een aantal schrijvers (Matthew Branton, Matt Thorne, Toby Litt) poogt spanning in de verhalen te brengen met intriges rond seksuele aberraties, of `verrassende' plotwendingen aan het eind, met voornamelijk tegenvallende resultaten. Anna Davis, één van de weinige vrouwen in de bundel, schreef een mooi verhaal over een tienermeisje dat probeert naar een optreden te gaan van Citizen Duane, `de beste band in Cardiff'. Maar afgezien van een opvallend gebrek aan humor onderscheiden de meeste verhalen zich in weinig van heel veel andere moderne Britse realistische literatuur. De New Puritan-regels dwingen de schrijvers niet tot een nieuwe vorm, ze schrijven een al gevestigd genre voor.

Wie kwaad wil, zou kunnen concluderen dat de New Puritans, overeenkomstig hun gekozen geuzennaam, de pret willen bederven voor iedereen die meer lol heeft in literatuur dan zij, iedereen met meer fantasie, meer humor, meer inventiviteit en meer talent. En dat doen ze, heel puriteins, onder het mom van morele superioriteit en integriteit. Maar de overtuiging van de manifestschrijvers overtuigt niet. Er zit te weinig vuur in. Hun gekozen literaire vijanden hebben iets kunstmatigs: de poëzie, oude rotten als Martin Amis en Salman Rushdie, de experimentele of historische roman. Échte concurrentie voor de Puriteinen komt van generatiegenoten die simpelweg beter kunnen schrijven, zoals Zadie Smith, Laura Hird, Tobias Hill of Trezza Azzopardi. Feit is dat de deelnemende schrijvers van All Hail the New Puritans al hebben laten weten dat het hier om een eenmalig project gaat, en dat ze niet van plan zijn zich in de toekomst aan het manifest te houden. De houdbaarheidsdatum van de nieuwe beweging lijkt zodoende al weer verstreken.

Ach, was er maar een beweging van oprechte puriteinen die de muffe lakens van de Britse literatuur eens eventjes gingen opschudden met hun witter-dan-witte opfris-manifesto, waarna ze zich vervolgens ook aan hun eigen regels zouden houden. Als de teleurgestelde reacties van de Britse media iets duidelijk maken, is het wel dat de tijd rijp is voor serieuze literaire rebellie. Het wachten is nu dus op de antipuriteinse tegenbeweging.

Nicholas Blincoe en Matt Thorne (red.):

All Hail the New Puritans.

Fourth Estate, 204 blz. ƒ45,80