P.C. Hooftprijs toegekend aan Gerrit Krol

,,Literaire prijzen krijgen is prettig voor een schrijver, maar ook betrekkelijk gewoon'', zei Krol een jaar of tien geleden in een interview in Vrij Nederland. ,,Op een bepaald moment ben je aan de beurt.'' Hij had toen de Constantijn Huijgensprijs al binnen en moest nog even wachten voordat die andere, nog veel prestigieuzere oeuvreprijs hem ten deel zou vallen. De jury, onder voorzitterschap van T.van Deel, heeft hem de prijs nu toegekend voor zijn verhalende proza. Maar Krol had hem, maar dan een jaar eerder, ook kunnen krijgen voor zijn poëzie en nog een jaar eerder, iets waarschijnlijker voor zijn essays. De P.C. Hooftprijs bedraagt 125.000 gulden, waarvan Krol 75.000 gulden zelf mag houden. De rest van het bedrag moet hij besteden aan een `literair doel'.

Ik vermoed dat Krol blijer is met zijn nieuwe prijs dan het woord `prettig' suggereert. Met zijn relativerende opmerking wilde hij, denk ik, vooral duidelijk maken dat het hem als schrijver om de aandacht en de waardering van de onverdachte lezer begonnen is, meer dan om die van de geïnstitutionaliseerde.

Zoals wel meer schrijvers heeft hij een ietwat dubbelzinnige verhouding tot zijn lezers. Hij houdt voortdurend rekening met ze, zou je kunnen zeggen, want hij schrijft glashelder en er is geen woord Frans bij. Maar hij maakt het ze ook moeilijk, door zijn romans in stukjes te hakken, die de nodige puzzelzin vergen. Ooit maakte hij een onderscheid tussen uitleggers en gewone lezers. De uitlegger geeft gedegen analyses van zijn romans, maar vergeet vaak te melden wat hij er nou zo mooi aan vindt. De gewone lezer is veel royaler met zijn lof, maar die weet weer niet waarover hij het heeft, die zegt gewoon maar wat, volgens Krol.

Ironisch genoeg zijn het vooral die gewone lezers, die hem zijn blijven dwars zitten. De interpreten, tot wie naast de literatuurwetenschappers ook de critici gerekend kunnen worden, hebben hem immers allang in hun hart gesloten. In een letterkundige overzichtsbundel uit 1986 kon hij nog tot de veronachtzaamden gerekend worden. Dat zal nu niet meer gebeuren. Met de officiële ontvangst zit het wel snor, maar meer dan eens heeft Krol verzucht dat hij wel eens een bestseller zou willen schrijven, een roman die voor iedereen te begrijpen zou zijn. En dus ook voor zijn voormalige collega's bij de NAM, die nooit zo goed wisten wat ze met zijn boeken aan moesten. Zijn vrouw vatte het ongemak van de gewone lezer eens fraai samen: veel taal en weinig emotie.

Toch zit er meer verhaal in het werk van Krol dan men soms denkt, al moet de lezer de eindjes vaak zelf aan elkaar zien te knopen. Kees Fens noemde hem eens een geboren verhalenschrijver, die er alles aan doet om zijn afkomst onzichtbaar te maken. Uiteenlopende romans als De ziekte van Middleton (1969), Een Fries huilt niet (1980), De Hagemeijertjes (1990) of, meest recent, De vitalist (2000) zijn opgedeeld in met veel wit omgeven blokjes tekst. Ook kan men, vooral in het vroege werk, plaatjes, grafieken, formules en foto's aantreffen. Er is veel gedachtegoed, veel essayistiek verwerkt in zijn romans, maar wie een beetje oplet, ziet altijd geestige en vaak ook aandoenlijke levensverhalen oprijzen. Ze cirkelen elke keer weer rond een bepaald type man: beetje verlegen en onhandig, vrouwenliefhebber, slim, maar ook wereldvreemd, die probeert inzicht te krijgen in zichzelf en de anderen.

Zelf gaf hij, nog aan het begin van zijn nu opnieuw bekroonde oeuvre, mooi uitdrukking aan deze behoefte tot opheldering. Maar hij voegde er aan toe dat hij niet wist of zijn inspanningen aan de lezer besteed zouden zijn. Dit is de laatste zin van Het gemillimeterde hoofd (1967): `Ik heb een paar zaken die voorheen duister waren of slecht geformuleerd tot klaarheid gebracht, maar – en dat zal altijd een vraag blijven – voor wie?'