Overdonderd door Dante

Alweer Dante? Ja, maar nu het grote werk. Na alle eerdere edities zijn in dit jubileumjaar twee schitterende nieuwe Nederlandse vertalingen uitgekomen van de Goddelijke Komedie, dat als geen andere middeleeuwse tekst een compendium biedt van het voelen en denken in die tijd.

Osip Mandelstam vergeleek Dante's Divina Commedia met een kristal met 13.000 reflecties, voor elk vers van dit middeleeuws Christelijk epos één. Het is inderdaad niet makkelijk de veelheid van aspecten in de allegorische tocht van Dante Alighieri, de dichter, door Hel, Purgatotium en Paradijs onder één noemer te brengen. Maar als dat dan toch moet, is de reflectie van licht in een kristal een briljante keus. Want het is juist de buitengewone helderheid van Dante's beelden, van zijn visioen en van de geestelijke autobiografie die de Komedie is, die dat grote boek tot zo'n kostbaar kleinood maken. Dante laat vóór alles de wereld zien, ook al reist hij door het hiernamaals. En hij etst zijn visie in kristalheldere lijnen op het netvlies van de lezer. Geen middeleeuwse tekst biedt zo'n bont en tastbaar beeld van het Italië uit 1300 als de Komedie. Geen middeleeuwse tekst biedt zo'n compendium van het voelen en het denken van zijn tijd. Geen tekst biedt zo'n aangrijpend verslag van een persoonlijke transformatie als Dante's verslag.

Geen wonder dat de Komedie beroemde illustratoren als Botticelli en Doré tot een uiterste krachtsinspanning heeft gedreven om het onvoorstelbare zichtbaar te maken. De helderheid van zijn metaforiek vraagt erom. Neem het begin van het achtste canto van de Louteringsberg:

Het was het uur waarop het zacht verdriet

Van heimwee menig zeeman zal bevangen,

De dag dat hij zijn dierbaren verliet;

Het uur dat een nieuw pelgrim doet verlangen

Naar huis als hij het avondklokje hoort,

Dat rouwklaagt om de dag die is vergangen.

Nu 700 jaar geleden, op Goede Vrijdag 1300, ook dat jaar een politiek geladen Anno Santo, situeert Dante zijn werk, dat in feite in de eerste decennia van de veertiende eeuw is geschreven. Dit Dante-jubileum heeft twee nieuwe Nederlandse edities doen uitkomen. Bovenstaand fragment komt uit de complete editie van Ike Cialona en Peter Verstegen, die ieder de helft van de tekst hebben vertaald en becommentarieerd. Ook is onlangs het eerste deel van de tekst, vertaling en commentaar van Rob Brouwer verschenen; deel twee en drie zullen volgen. De belangrijkste vraag bij deze jubileum-hausse is nu, wat Dante's tekst nog voor een modern lezer kan betekenen. Want Dante staat ver van ons af en de complexiteit van zijn werk is groot. Misschien wel te groot voor de digitale generatie, die van hapklare brokken houdt.

Wat zijn de beloningen voor de doorzetter die deze kloeke werken in zijn schoen vindt?

Men kan op die vraag antwoorden: uiterste gruwelen, opperste schoonheid, schitterende poëzie, spannende verhalen, spectaculaire special effects. Dat is geen woord teveel. Maar de kern van Dante's kracht is toch zijn enorme engagement; de enorme betrokkenheid bij wat hem overkomt, en zijn titanische poging om wat hem in leven, kunst en wetenschap tegemoet treedt, niet alleen te doorvoelen en te doordenken maar voor die beleving ook woorden en beelden te vinden. Wie na deze alarmerende woorden denkt dat Dante een voorloper van het ik-tijdperk is, vergist zich. Dante is geen dweper, en nog minder een new-age zwijmelaar. Hij is een harde, straffe man met veel rancune en een messcherp intellect. Juist die natuurlijke constitutie heeft de grootheid van de Divina Commedia mogelijk gemaakt. Want deze harde intellectueel werd geboren in de wereld van de Hoofse Liefde, met zijn verheerlijking en haast Platoonse idealisering van de geliefde. Dante, zo blijkt uit zijn autobiografische Vita Nuova, volgt die mode wel, maar voelt hem niet, of niet écht. Maar in de loop van een politieke, intellectuele en poëtische carrière begint besef te dagen. De dingen waaraan hij vroeger lippendienst bewees, krijgen diepere, complexere betekenis voor hem. Van die ontwikkeling is de Komedie het verslag. En in dat verslag worden al zijn politieke, theologische en persoonlijke noten, soms met pijnlijk knarsentanden, gekraakt.

De verbeelding van dit proces in allegorische vorm geeft een moderne lezer soms problemen. Hij moet `vertalen', van allegorie, beeld en symbool naar beleefde werkelijkheid. Maar zo goed slaagt Dante in zijn kunstdoel, dat van bijna alle pagina's de absolute noodzaak dat dit gedaan moest worden duidelijk wordt. En onze harde Dante wordt ontroerd, en ontroerend. Dante wordt door de hel geleid door zijn literaire en inhoudelijke voorbeeld Vergilius. Op zijn beurt is Vergilius weer op weg gestuurd door Dante's geliefde Beatrice, dat wil zeggen de (jeugd)liefde die hem uiteindelijk tot inzicht en tot inkeer brengt. Wanneer Dante uit de diepste duisternis van de Hel van zijn zondig leven te voorschijn komt aan de voet van de Louteringsberg, is er een haast onbeschrijfelijke atmosfeer van stilte na de storm. Van voorzichtig opklaren na de zwartste depressie, met de angst nog in de benen, maar met een voorzichtig maar diep bewogen sprankje hoop. Dit zo moeilijk te omschrijven gevoel, visualiseert de dichter in de adembenemende beschrijvingen van de glorende dageraad in het eerste canto van het Purgatorio:

De lucht had van oosters saffier de zoete

En klare tint; tot aan de eerste sfeer

Was er geen wolk te zien op onze route.

En even later:

Inmiddels was het ochtendrood vergleden,

Zodat het licht mij onderscheiden liet

Hoe zacht de golfslag deinde daar beneden.

Het origineel, met zijn l'Alba vinceva l'ora mattutina ... e conobbi il tremolar della marina, is nog beeldender.

Wat bij Dante zo belangrijk en nieuw is, is zijn intense preoccupatie met wat wij nu `gevoelsleven' noemen. Die preoccupatie heeft zich bij hem onvermijdelijk voltrokken via de literatuur. Zo kan het komen dat van alle canonische auteurs als Homerus en Shakespeare, Dante de meest canonische is. Want Dante stelt de poëtische traditie, die hij op zijn duimpje kent, voor als een reeks persoonlijke ontmoetingen. Hij komt zijn dichters, van Vergilius tot en met zijn eigen tijdgenoten en leermeesters, daadwerkelijk tegen, en spreekt met ze, ziet hun streven, hun zwakte, hun kracht en geeft zich heel letterlijk een houding. Hij leest dus niet alleen boeken, maar ziet dat lezen als een persoonlijke confrontatie. Daarmee verwoordt hij zijn intense relatie met de traditie. En laat zo zien dat die traditie een vorm van persoonlijk contact via de Kunst is, dat inzicht in het Leven verschaft. Dat nu is precies wat iedere auteur doet, die zich in de canon mengt. Niemand doet dat zo letterlijk als Dante. Maar Dante is ook de letterlijkste aller dichters. Kijk maar naar zijn vergelijkingen.

Zo kan het gebeuren dat de Louteringsberg welhaast de Dichtersberg genoemd kan worden. Van de confrontatie met de troubadour Sordello, via ontmoetingen met vele anderen culmineert de reeks dichterontmoetingen in twee tintelende momenten. In canto 21 voegt zich bij Dante en Vergilius de verschijning van de Romeinse dichter en Vergilius-navolger Statius. Statius had, net als Dante, een aan verering grenzend respect voor Vergilius. Maar Statius had, alweer net als Dante, aan een aspect van de Vergiliaanse poëzie een nieuwe impuls gegeven: het aspect van de allegorisering. In Statius' Thebais begint de lange opmars van de allegorische poëzie die in Dante zijn hoogtepunt vindt. Statius is zo een geestverwant van Dante. Die subtiele psychologische relatie komt haarscherp naar voren wanneer Statius Dante en zijn leidsman ontmoet en de loftrompet over Vergilius steekt, zonder te weten dat deze vóór hem staat. `Had ik hem maar kunnen ontmoeten', verzucht hij. Dante vervolgt:

Ik ving een blik op van mijn meesters ogen

Die, woordenloos, mij `Niet vertellen!' ried,

Door mij beantwoord met een ijdel pogen.

De lach zal, net als tranen bij verdriet,

Bij vreugde en verrassing niet ontbreken;

En de oprechte mens bedwingt hem niet.

De ander (i.e. Statius) zag mijn glimlach als een teken.

Hij zweeg en keek me vorsend aan ...

De ene schim had mij gevraagd te zwijgen,

de ander vroeg een antwoord. Deze dwang

Deed uit mijn borstkas een verzuchting stijgen.

Mijn meester zei: `Wees niet bang.

Je hoeft hem niet door zwijgen te misleiden.

Die begrijpende glimlach, haast de eerste in het werk, gaat door merg en been. Even daarna volgt de herkenning, en een roerende poging tot omhelzing tussen de twee Romeinen – een poging, want het blijven ijle schimmen.

De laatste dichterontmoeting in het Purgatorio is met de grote Provençaalse troubadour Arnaut Daniel, in canto 26. Arnaut zit letterlijk in het Vagevuur, om van zijn wellust gepurgeerd te worden, geen wonder bij een liefdesdichter – want Hoofse Liefde was niet kuis. Aan hem wordt door een collega in het vuur het beroemde sobriquet il miglior fabbro (`de betere smid') gewijd. Arnaut antwoordt Dante op zijn `hoffelijke' vraag in drie ontroerende terzinen in zijn eigen Provençaals, een uitzonderlijke eer en een groot compliment voor iemand in de Divina Commedia.

Aan het slot van Purgatorio komt Dante dan, na het stille en diep treurige afscheid van Vergilius die niet verder mag (een afscheid dat een verwerking is van Vergilius' eigen passage over Orpheus en Euridice in de Georgica!), in het Aardse Paradijs oog in oog te staan met Beatrice. Zij wijst hem terecht. De trotse Dante staat verstomd en kan niet reageren:

Een mengeling van angst en plotselinge

Verwarring kon mij een onhoorbaar zacht,

Maar van de lippen leesbaar `ja' ontwringen.

Zoals een boog kan knappen, onverwacht,

Als hout en pees te strak gespannen bleken,

Zodat de pijl wel vliegt, maar zonder kracht,

Zo moest ik onder deze spanning breken.

Ik barstte dus in snikken uit ...

Die tranen zijn zo lang en zorgvuldig voorbereid door de dichter! De lezer voelt de bevrijding van de eindelijk beleden schaamte en het gewonnen vermogen eerlijk tegen zichzelf te kunnen zijn als een golf door zich heen gaan. Die emotionele intensiteit maakt deze passage de kern van Dante's spirituele autobiografie, mogelijk gemaakt door de kracht van de liefde en de macht van de poëzie.

Dante's invloed is enorm geweest. Een vertaler steekt dan ook op angstaanjagende wijze zijn nek uit. Peter Verstegen moet bijvoorbeeld in de passage over het heimwee van de zeeman op zijn eerste avond op reis, waarmee dit stuk begon, de handschoen opnemen tegen de versie van Byron, bij wijze van accolade aan de grote Florentijn opgenomen in zijn Don Juan

Soft hour! which wakes the wish and melts the heart

Of those who sail the seas, on the first day

When they from their sweet friends are torn apart;Or fills the pilgrim on his way

As the far bell of vesper makes him start,

seeming to weep the dying day's decay.

Het is, zeker in het licht van zulke poëtische rivalen, een ongelooflijke prestatie die Cialona en Verstegen nu geleverd hebben. De hele Dante vormvast vertaald, in terza rima, dat aartsmoeilijk te hanteren rijmschema van Dante. En, ondanks de – toegegeven niet onaanzienlijke – dictaten van rijm en metrum, prachtig vertaald: van helder en hard in de Hel, via zoeter melancholiek in de Louteringsberg, naar de haast niet weer te geven exaltatie van het Paradijs. Er valt bij zo'n Sisyphus-arbeid altijd te vitten: nuances verdwijnen, stijl en woordkeus roepen altijd wel ergens vragen op, en Dante's enorme concisie is nu eenmaal te groot voor welke andere taal dan ook. Maar men moet, zoals Dante zelf ons leert, nederig blijven: vooral Verstegens vermogen om allerlei, vaak scherpzinnig opgemerkte, nuances via omwegen toch onder te brengen in de vertaling, en Cialona's trefzekere toon in haar prachtige tweede helft van het Purgatorio, zijn indrukwekkend. Het tweede deel van de cassette bevat een summier maar accuraat commentaar waarbij ook de complete Italiaanse tekst is opgenomen. De feestneus van deze prachtige editie bestaat uit de illustraties van de romantische realist Gustave Doré, die net als bij de voorgangers van deze editie, de vertalingen van Cervantes' Don Quichote en Ariosto's Orlando Furioso de tekst begeleiden. Maar diezelfde illustraties dwingen helaas ook tot een hinderlijke vervorming: je leest de tekst onvermijdelijk door negentiende-eeuwse ogen, die te veel zwelgen in Gothic horror en duisternis, en merkwaardige, zelfs kwezelachtige associaties oproepen. Doré maakt van Dante een engerd, van Beatrice een Rafaël-madonna en van Vergilius een statige Augustus. Die associaties zijn verkeerd. Een gehistoriseerde Vergilius bijvoorbeeld, is in Dante's tijd nog ondenkbaar: voor Dante is Vergilius nog altijd ook de magiër die hij in de laat-antieke en middeleeuwse legende geworden was. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Botticelli's illustraties, die hem als zodanig afbeelden. Het resultaat bij Doré is niet zelden enigszins pervers. En dat is wel het laatste wat Dante is.

Deze jubileumuitgave komt als gezegd niet alleen. Vorig jaar verscheen bij uitgeverij SUN een prozavertaling met uitstekend commentaar van Jacques Janssen. Onlangs is nu ook een eerste deel van de trilogie verschenen van de classicus Rob Brouwer, wel metrisch, niet rijmend en met de Italiaanse tekst op de pagina ernaast. Die vertaling is zorgvuldig (vaak zorgvuldiger dan Cialona-Verstegen) en vaak erg mooi, maar wordt ontsierd door (te) veel elisie, met name het vervelende 'k en 't. Bovendien mist men het rijm, hoewel dat juist bij Cialona-Verstegen een enkele keer op de zenuwen gaat werken. Het is ook nooit goed! Maar nogmaals: nederigheid is gepast. En vooral bewondering voor het imposant apparaat van samenvattingen, inleidingen en commentaar, zoals het scherpe artikel van Brouwer over Dante's antieke bronnen. Bovendien krijgt elk canto een heerlijk uitgebreid lopend commentaar, waarin de vertaler een grote intelligentie, creativiteit en sensitiviteit aan de dag legt, die een ziel verraden, die haast vergroeid is met Dante. Waar zijn vertaling het misschien af moet leggen tegen het huzarenstuk van Verstegen en Cialona, heeft zijn editie voor de studieuze lezer grote voordelen.

Wat is poëzie?

Dat is net zo moeilijk te zeggen als wat `licht' of `tijd' is. Het merkwaardige is dat Dante door te schrijven over tijd en licht als vanzelf poëzie schept. Iedere gevoelige lezer wordt, ook in vertaling, ondanks Dante's soms spijkerharde letterlijkheid, de mysterieuze macht van grote poëzie gewaar. En iedere lezer denkt bij Dante, vroeger of later, aan licht: het licht dat zo bar ontbreekt in de Hel, zo ontroerend en onbeschrijflijk melancholiek daagt aan het begin van de Louteringsberg, het licht dat, even onbeschrijflijk intens, doorbreekt in het Paradijs. Licht is Dante's belangrijkste metafoor: het staat bij hem voor de Verlichting van de ziel door de Genade.

Menig postmodern lezer keert zich dan misschien in afgrijzen af. Niet doen. Dante schrijft niet alleen geweldige poëzie. Hij is, juist dankzij die poëzie, als zegsman van de ziel, ook voor niet-Christenen en niet-mystici, een indrukwekkend metgezel.

Dante Alighieri: De goddelijke komedie. Met alle prenten van Gustave Doré; vertaald door Ike Cialona en Peter Verstegen.

Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2 bd., 739 en 579 blz. ƒ135,- tot 1 januari, daarna ƒ150,-

Dante Alighieri: De Goddelijke Komedie. Deel I: Inferno; vertaald door Rob Brouwer; met een inleiding van Ronald de Rooy.

Primavera Pers, 611 blz. ƒ79,50 tot 1 januari, daarna ƒ89,50

    • David Rijser