Niet te dempen kracht

In 1939 zong Billie Holiday in een New-Yorkse jazzclub voor het eerst `Strange Fruit', een schrijnend protest tegen rassendiscriminatie. Het lied begon een lang leven.

Strange Fruit is een lied van twaalf regels. Het werd meer dan zestig jaar geleden in New York geschreven en het duurt nog geen drie minuten. Die lengte doet denken aan de toen populaire songs van Tin Pan Alley, aan de vlugge melodieën van George Gershwin, Cole Porter of Jerome Kern. Als je naar Strange Fruit luistert hoor je iets anders. Kurt Weill, Bertolt Brecht, die namen schieten je te binnen. Dat langzame spreekzingen, het hoort eerder thuis in een Berlijns cabaret dan in een musical of een jazzclub. En toch is het lied zo verweven met de Amerikaanse geschiedenis dat het alle kanten op gaat.

Op 19 juni 1953 werden Ethel en Julius Rosenberg in New York naar de elektrische stoel gebracht. Drie jaar eerder was het echtpaar in hechtenis genomen op verdenking van atoomspionage voor de Russen. Ze kregen de doodstraf. De protesten tegen het vonnis, ook internationaal, bleven tot het allerlaatst groot. De executie werd een paar keer uitgesteld. Die avond in juni hielp niets meer. President Eisenhower gaf geen clementie. Ze werden geëlektrocuteerd.

Nu waren hun zoons Michael (10) en Robert (6) ouderloos. Al in 1952, nog tijdens de gevangenschap van de Rosenbergs, kwamen ze onder voogdij van Abel Meeropol, een joodse ex-onderwijzer die liedjes en gedichten schreef, en z'n vrouw Anne. Ze waren net terug uit Hollywood, waar Abel acht jaar voor Columbia en MGM had gewerkt. In New York kreeg hij een baan bij de televisiemaatschappij NBC. Hij schreef onder het pseudoniem Lewis Allan, de namen van z'n twee kinderen die jong waren gestorven.

Anne en Abel Meeropol waren communist. Op McCarthy's zwarte lijst kwamen ze niet voor, maar ze voelden wel `de hete adem van het beginnende fascisme' in hun nek. Ze kenden de Rosenbergs niet. Door een wederzijdse vriend hoorden ze over de jongens en zo kwam de voogdij tot stand. In het begin van 1954 trokken Michael en Robert bij hun voogden in.

Die winter maakte de achtendertigjarige Billie Holiday een toernee door Europa met een aantal voor de gelegenheid bij elkaar geraapte musici. Beryl Booker (piano en zang), Red Norvo (vibrafoon) en Buddy de Franco (klarinet) hadden elk hun eigen groep. Holiday werd begeleid door Carl Drinkard (piano), Red Mitchell (bas) en Elaine Leighton (slagwerk).

In Lady Sings the Blues, haar in 1956 aan William Dufty vertelde herinneringen zegt Holiday dat Europa een droom voor haar was. Elke zwarte muzikant wilde ernaartoe, vooral omdat ze er minder werden gediscrimineerd dan in de Verenigde Staten. Sommige muzikanten, als de saxofonisten Don Byas en Ben Webster, keerden zelfs nooit meer terug.

De groep kwam op 11 januari 1954 in Kopenhagen aan. Zoveel sneeuw had Holiday nog nooit gezien en op een vliegveld nog nooit zoveel fans. Honderden mensen met bloemen lachten en schreeuwden tussen de verslaggevers en fotografen in. Dat deed haar veel. Door haar drugsgebruik was ze zes jaar uit alle clubs van New York verbannen. Er stonden in dertig dagen veertig concerten op het programma, soms twee op een avond. `Met zo'n schema zie je eigenlijk niet veel van Europa', zegt Holiday. `Alleen vanuit de lucht en door de busraampjes tussen de vliegtochten in.'

Denemarken, Zweden, Noorwegen, Nederland, Zwitserland, Italië en Frankrijk werden bezocht. Op 23 januari was Amsterdam aan de beurt, een nachtoptreden in het Concertgebouw. Holiday zong I Cried for You, haar eigen compositie Fine and Mellow en een paar andere nummers uit haar vaste repertoire, waaronder Strange Fruit, dat haar vijftien jaar eerder door Abel Meeropol was gebracht.

Southern trees bear a strange fruit,

Blood on the leaves and blood at the root,

Black body swinging in the Southern breeze,

Strange fruit hanging from the poplar trees.

De zaal was al onrustig, maar nu werd er zelfs gelachen. Holiday stormde voor het lied uit was van het toneel. Strange Fruit was haar veel waard, omdat ze, zeker in Amerika, nogal eens als een dom zwartje werd gezien, dat alleen strips en stuiversromannetjes las. Amsterdamse ooggetuigen zeggen dat het aan haar zelf lag. Ze was er in het Concertgebouw niet best aan toe. Te veel drank, te veel drugs, een combinatie van die twee misschien.

Billie Holiday zong Strange Fruit voor het eerst, toen ze drieëntwintig was, in Café Society, een club in New York waar zowel blanken als zwarten welkom waren, iets unieks voor die tijd. Een paar maanden daarna, op 20 april 1939, werd het op de plaat vastgelegd. Later zei ze meestal dat het speciaal voor haar was geschreven, zo vereenzelvigde ze zich met de woorden. Als iemand dacht dat het lied van haarzelf was, sprak ze dat niet tegen.

Zo staat het in Strange Fruit van David Margolick, een bij Running Press verschenen boek dat geheel en al aan het lied is gewijd. Het heeft als ondertitel Billie Holiday, Café Society, and an Early Cry for Civil Rights.

De aanpak van Margolick ligt zo voor de hand, dat je je afvraagt waarom niemand er eerder is opgekomen. Verdiep je in het ontstaan van Strange Fruit en volg het, zestig jaar lang. Praat met de muzikanten die het hebben gespeeld. Zoek het publiek dat het op tientallen plekken heeft gehoord. Schuw geen detail. De gepekelde lul van een opgehangen neger staat in een potje bij een zuidelijke kapper te kijk. Billie Holiday neemt de goederenlift in het hotel waar ze met het blanke orkest van Artie Shaw optreedt. Cassandra Wilsons versie van Strange Fruit uit '95 is op een Amerikaanse vliegreis van haar cd New Moon Daughter gewist. Robert Meeropol — de broers hadden de naam van hun pleegvader aangenomen — zit tussen de passagiers die misschien nog steeds geschokt zouden zijn als ze het door de koptelefoon horen.

In de eerste helft van de vorige eeuw werden, meestal in een carnavalachtige stemming, in het zuiden van Amerika ongeveer vierduizend mensen gelyncht. Dat is het officiële, maar, volgens Margolick, nogal behoudende cijfer. Abel Meeropol schreef z'n gedicht, toen hij een foto had gezien van een dubbele lynchpartij in Marion, Indiana. Het werd onder de naam Bitter Fruit in het communistische blad The New York Teacher van januari 1937 gepubliceerd. Meeropol liet de melodie bij z'n teksten meestal aan anderen over. Deze muziek componeerde hij zelf. Z'n vrouw Anne zong Strange Fruit op een avond van de onderwijzersvakbond. Het werd een links strijdlied. Je hoorde het toen er geld moest worden verzameld voor de Republikeinen in de Spaanse burgeroorlog. `t Zou een tijdgebonden nummer zijn gebleven, als Meeropol er niet mee naar Café Society was gegaan.

Waarom? Dat weet zelfs David Margolick niet. Volgens Meeropol hadden Barney Josephson, de eigenaar van het pas geopende café, en Robert Gordon, die over de muziek ging, hem verzocht met het lied naar de club te komen. Gordon was een anti-fascist, die Strange Fruit op de avond van de Spaanse burgeroorlog had gehoord.

Josephson zegt dat Meeropol er ineens ongevraagd met het liedje stond. De café-eigenaar was kapot van de tekst. Meeropol vroeg of hij het Holiday, de vaste zangeres, mocht voorspelen. Bij Artie Shaw had ze ontslag genomen, omdat ze niet meer in de goederenlift wilde. Ze luisterde en zei niet veel. Het klonk wel heel anders dan haar geïmproviseerde liefdesliedjes. Misschien dacht ze in een vlaag van twijfel dat dit het antwoord was op de kritiek van al haar vijanden. Die vonden haar gewone songs maar banaal amusement. Ze had één vraag: `Wat betekent ``pastoral'' eigenlijk?'

Pastoral scene of the gallant South,

The bulging eyes and the twisted mouth,

Scent of magnolia sweet and fresh,

And the sudden smell of burning flesh!

Strange Fruit, het boek van Margolick, is maar 152 bladzijden dik. Toch staat het vol met zoveel feiten dat het lied op de meest onverwachte plekken opduikt. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog probeerden Duitse onderzeeboten Britse schepen tot zinken te brengen. Een redacteur van het Engelse dagblad The Times was in New York zo onder de indruk van Holiday's net op het merk Commodore uitgebrachte versie dat hij twee platen kocht. Hij nam er een zelf mee en de andere moest maar op een vrachtschip naar Europa worden vervoerd, `dan komt een van ons er waarschijnlijk wel door.' Meeropol vond dat Strange Fruit bij de jaren dertig hoorde. Elke poging om het bij een andere tijd te betrekken was, naar zijn idee, een dwaasheid. Hij kon de kracht van het lied niet dempen. 't Komt voor als voetnoot veertien in een juridisch geschrift van rechter Stephen Reinhardt. Met dat stuk probeerde hij in 1994 The United States Court of Appeal in Los Angeles ervan te overtuigen dat de doodstraf door de strop niets anders is dan lynchen. Het liefst had hij de opname van Holiday erbij gedaan.

In 1997 organiseerden de zwarte vrouwen in een gevangenis van Washington een voorstelling op een basketbalveld. Ze hadden witte puntmutsen op hun hoofd. Er hing een strop aan de mand en het leek of ze daaraan een mede-gevangene lieten bungelen. Na die parodie zong een vrouw Strange Fruit. Het bereik was van het begin af aan enorm en toch heeft Holiday het, met een steeds andere bezetting, tot haar dood in 1959 maar een keer of zes opgenomen.

Van de eerste plaat, met aan de andere kant Fine and Mellow, werden in 1939 tienduizend exemplaren verkocht. Dat liep op tot vijftigduizend in 1945. Beter heeft Holiday het nooit meer gezongen. Begeleid door Frankie Newton (trompet), Tab Smith (altsax), Kenneth Holland en Stan Payne (tenorsax), Sonny White (piano), Jimmy McLin (gitaar), John Williams (bas) en Eddie Dougherty (slagwerk) zingt ze Meeropols woorden niet agressief maar teder. `Ernstig gaat ze recht op haar doel af', schrijft Margolick, `en ze blijft verrukkelijk licht'. Toch hoor je ook nog iets anders. Strange Fruit wijkt zo af van wat Holiday en haar orkest gewend waren dat hun spel iets ongemakkelijks krijgt.

In die tijd was Billie Holiday met al haar muzikanten, onder het mom van vermaak, allang de wereld van de populaire muziek binnengedrongen, ongeveer zoals Roy Lichtenstein en Andy Warhol twintig jaar later met hun strips en filmsterren het populaire beeld te grazen namen. Tientallen nummers had ze van het Amerikaanse variété afgepakt, This Year's Kisses, I'll Never Be the Same, The Man I Love. Vergeleken met Strange Fruit vond het serieuze publiek haar liedjes maar deuntjes, de neefjes van de boeketreeks, Margolick zegt het ook.

Als je naar haar luistert, hoor je dat juist met die deuntjes kritiek wordt geleverd op de blanke manier van leven. 't Is een openbare diefstal van wat een beetje stijf in musicals en Amerikaanse huiskamers thuishoort. `This year's/crop of kisses/is not for me/for I'm still wearing/last year's love', als Holiday het zingt verandert Irvings Berlins sentiment in een groots verlies. Holiday is de dievegge, elke zin wordt een veld van speldenprikken, dat van je nek wegtrekt over je rug. Geen woord laat ze met rust, 't wordt schoongeblazen, met een terloops gemak.

En dan ineens, voor het eerst, Strange Fruit. Het protest van het lied, dat had ze al gezongen, met elk deuntje, geschroeide klanken. En ze zou het ook blijven zingen, indirect, met een onverwachte stembuiging, een grappig accent, met altijd weer andere muziek.

Nu zong ze het voluit. En je merkt dat het min of meer Europese lied Holiday aan banden legt. Het is net iets te officieel voor een stem die hoort bij de sloppen van New York en niet bij een links cabaret. Juist dat contrast tussen Amerika en Europa, tussen een zangeres die liever improviseert en een wat steile communistische dichter, 't heeft Strange Fruit onvergankelijk gemaakt.

Abel Meeropol en zijn zoons Michael en Robert hebben in de afgelopen zestig jaar meer dan driehonderdduizend dollar aan het lied verdiend. In 1941 moest Abel nog getuigen bij een zaak over linkse infiltratie op de lagere scholen in New York. Had de communistische partij hem soms opgedragen Strange Fruit te schrijven en zo ja, had hij die partij dan ook de royalty's geschonken? Later viel het met Meeropols communisme wel mee. Hij schreef het libretto voor een opera, die was gebaseerd op De brave soldaat Schwejk en werkte zelfs aan een cantate over het handvest van de Verenigde Naties.

In 1986 werd de vroegere communist postuum gerehabiliteerd. Bij het honderdjarig bestaan van het vrijheidsbeeld zong Frank Sinatra The House We Live In uit '45, het meest nationalistische lied dat Meeropol ooit had geschreven. Twee maanden eerder was hij gestorven. Bij z'n sterfbed draaide Michael Meeropol, intussen hoogleraar economie, Holiday's Strange Fruit. Z'n broer Robert leidt nu het Rosenberg Fund for Children, dat kinderen van gevangen genomen activisten financieel bijstaat.

Los Angeles, 1958. Billie Holiday is op bezoek bij een vriendin. Die vraagt haar om Strange Fruit te zingen. Niet I'll Be seeing You, Pennies from Heaven, I've got My Love to Keep Me Warm of een ander liefdesliedje. Nee, weer Strange Fruit. Nou vooruit, zo kennen ze haar.

Het moet een van de laatste keren zijn geweest. Een jaar later is ze dood. De vriendin en haar achtjarige zoontje luisteren. Geen begeleiding. Soms onderbreekt de jongen haar: `Hoe kan er nou bloed op de boom zitten?'

De moeder probeert de jongen te kalmeren. Holiday zingt door. De jongen begint opnieuw: `Wat is een pastorale scène, miss Holiday'?'

Dit keer kijkt Billlie Holiday de jongen een seconde aan. `Als ze van een kleine nikker als jij de ballen afsnijden en die door je verdomde strot duwen, dat betekent het.'

Here is a fruit for the crows too pluck,

For the rain to gather, for the wind to suck,

For the sun to rot, for a tree to drop,

Here is a strange and bitter crop.

David Margolick `Strange Fruit' — Billie Holiday, `Café Society, and an Early Cry for Civil Rights', Running Press, Philadelphia, Londen, 2000.

Billie Holiday `Lady Day (1939-1944) `The Sixteen Original Commodore Interpretations,' produced by Milt Gabler; CD, Commodore Records, 1988.

John Jeremy `The Long Night of Lady Day'; Arena-documentaire, BBC, 1984.

Herman Openneer `Billie Holiday in Nederland, 1954', Bulletin nr. 4, juni 1992, Stichting Nationaal Jazz Archief, Amsterdam, juni 1992.

Netty Rosenfeld `Michael en Robert', VPRO-documentaire, 1997.

Elke zin wordt een veld van speldenprikken