`Morgenster' wappert voor allerlaatste maal

De Papoeavlag is vandaag, op haar 39ste verjaardag, voor de allerlaatste keer gehesen, als het aan de Indonesische regering ligt. Papoea's die onafhankelijk- heid willen, weigeren de `Morgenster' te strijken.

Het is nog donker en er daalt een warme motregen neer boven Jayapura. Op het pleintje tussen Taman Imbi, een park met palmen, en het Gebouw der Kunsten staat een overdekt podium met een orgeltje.

De drie toegangswegen zijn afgegrendeld door in het zwart gestoken leden van de Satgas Papua, de ordedienst van de beweging voor een `vrij Papoea', die alleen volksgenoten en houders van perskaarten doorlaat. Ongeveer vijfhonderd Papoea's hebben het vroege uur en de nattigheid voor lief genomen en wachten op wat komen gaat.

Straks, als de zon opkomt, zal volgens de afspraak met de politie boven het Gebouw der Kunsten voor het laatst de Morgenster worden gehesen. De vlag van West-Papoea is door de Indonesische regering in de ban gedaan, maar mag nog eenmaal wapperen boven het morsige gebouwtje met de onschuldige naam. Hier huisde in de jaren 1961-1962 de Nieuw-Guinea Raad, het parlement van Neêrlands laatste kolonie in de Oost, dat was bedoeld als leslokaal voor toekomstig zelfbestuur. Vandaag is het 39 jaar geleden dat hier de Morgenster werd gehesen als symbool van een natie in wording. Wijlen president Soekarno noemde het aldus in de steigers gezette `West-Papoea' een `marionettenstaat' en Den Haag boog voor internationale druk: het gebied werd afgestaan aan Indonesië.

De beweging voor een 'vrij West-Papoea', die de afgelopen twee jaar bovengronds kwam, is volgens het Indonesische gezag te ver gegaan en heeft zich bezondigd aan separatisme. Om oproer te voorkomen mag deze voor Jakarta dubieuze verjaardag vandaag worden gevierd, maar het feest mag onder geen beding een politieke lading krijgen. De diep gelovige Papoea's mogen van de politiechef dankgebeden uitspreken, maar manifesten, proclamaties en andere subversieve teksten zijn uit den boze. Voorzitter Theys Eluay van het Papoea-Presidium en secretaris-generaal Thaha Alhamid zijn deze week gearresteerd, kennelijk om de beweging onder druk te zetten. De oproerpolitie, die achter het Satgas-kordon een tweede ring om het plein vormt, moet ontsporingen voorkomen.

Als de oostelijke hemel door de regensluier nauwelijks zichtbaar oplicht, vertrouwt dominee Tony Infandi me op fluistertoon toe: ,,Ik zal de politieke boodschap verwerken in mijn preek.'' Als het orgeltje op het podium een vrome hymne inzet, valt er op het pleintje een gespannen stilte. ,,Hallelujah'', schalt het uit de luidsprekers, ,,Jezus en vrijheid!'' Het publiek antwoord in koor: ,,Vrijheid!'' ,,Deze regen'', vervolgt Infandi, ,,is een zegen Gods en als Hij het wil, zal er vandaag een wonder gebeuren.'' De predikant noemt het Papoea-Manifest van 1961, dat van Nederland erkenning eiste van vlag, volkslied en landsnaam van West-Papoea. ,,Dat was een woord van waarheid, dat Gods erbarmen met Papoea weerspiegelt.'' Het bewuste manifest mag van de politie niet worden voorgelezen.

Een vrouwelijk lid van het organisatie-comite fluistert Infandi iets in. De dominee: ,,De politiecommandant wil dat we de volgorde omdraaien: eerst het hijsen van de vlag en pas daarna de dienst van het woord.'' Het is opgehouden met regenen, de zon verschijnt boven de kim en het gezag heeft liever dat het hoogtepunt voorbij is voordat het plein helemaal volloopt. ,,Eerst de preek, eerst de preek!'', scandeert de menigte en Infandi zet zijn gecodeerde overweging voort. Om kwart voor zes treedt een peloton van de ordedienst aan met twee gevouwen vlaggen, die van Indonesië en de Morgenster. Met militaire precisie gaan eerst het republikeinse rood-wit en daarna de Papoeabanier omhoog.

Daarna spreekt Thom Beanal, vice-voorzitter van het Presidium, een kort welkomstwoord. ,,Broeders en zusters, volksgenoten. U en ik weten dat we vandaag te maken hebben met de nodige beperkingen en ik hou het kort. Gefeliciteerd met deze verjaardag van uw vrijheidsverklaring. Laat er geen doden meer vallen en wandel in Gods waarheid. Bid voor de kameraden die vielen in de strijd en voor onze leiders in gevangenschap.''

Er klinkt applaus, maar op de gezichten staat teleurstelling te lezen. De eerste horde in deze wedloop met de autoriteiten lijkt genomen, maar na tien minuten samenzang ontstaat rumoer. ,,We zouden het Manifest van '61 voorlezen!'', buldert een dikke man met een woeste haardos. Iemand anders roept: ,,Het Presidium zou verantwoording afleggen aan het volk!'' Er klinken spreekkoren: ,,Voorlezen! Voorlezen!'' Het door het Presidium gekozen compromis valt vooral slecht bij de mannen uit het bergland, voorstanders van de harde lijn. Zij verdringen zich luid gebarend voor het podium. De commandant van de Satgas, Jehuda M. Serontouw, probeert vanaf het podium rust te brengen in de rijen, maar het lukt niet echt. In het Gebouw der Kunsten houdt het Presidium koortsachtig beraad. Dan beklimt Thom opnieuw het podium. Een medelid zal de werkzaamheden van het Presidium toelichten, zegt hij. De man begint omstandig en halfslachtig, alsof hij liever luidkeels 'vrijheid' roept, maar twee vrouwelijke medebestuurders sissen achter zijn rug: ,,Niet moeilijk doen, voorlezen dat verslag.'' De man meldt de recente inspanningen van het Presidium om in Jakarta en het buitenland begrip te kweken voor `de strijd'. Punt één: ,,Ontvangst van een parlementaire delegatie uit Nederland''. De lijst maakt indruk - de leiders waren zelfs in New York - en het publiek klapt verheugd. Dan begint een comitélid vanaf het podium papieren uit te delen. Het blijkt een overdruk van het Papoea-Manifest uit 1961, dat niet mag worden voorgelezen.

Ook het culturele programma wordt onbekommerd gepolitiseerd. De show wordt gestolen door een groep uit het westelijke bergland, bakermat van de hardliners. Hun voorman is Robertus Takimai, een tanige man met een boze blik en veren in het haar. Hij gaat zijn mannen - en vrouwen - voor in een driftdans, die gepaard gaat met heftig stampvoeten en schelle kreten. Het maakt een krijgszuchtige indruk, maar de dans is vooral een uitlaatklep van emoties - ook blijdschap. Robertus heeft een boodschap: ,,Die vlag daar is van ons en gaat nooit meer omlaag.'' De tweede horde kondigt zich aan.

Tegen het vallen van de avond is het Presidium in geen velden of wegen te bekennen. Op het langzaam donker wordende plein maken de radicalen zich op om ,,op leven en dood'' te vechten tegen het strijken van de vlag, die zachtjes golft in de zoele avondbries.

De toegangswegen tot het plein worden nu alleen nog bewaakt door drie linies oproerpolitie, paraat met schilden en kogelvrije vesten. Als het helemaal donker is en de vlag al gestreken had moeten zijn, grijpt een lid van het organisatiecomité de microfoon. Er is overeenstemming bereikt met de politiechef van Jayapura, drs. Daud Sihounbung, die de zaak kennelijk niet op de spits wil drijven. De vlag mag vannacht blijven hangen. De commandant van een politiepeloton: ,,Onze orders luiden om te wachten tot de menigte zich verspreidt.'' Een compromis of een list? De tweede horde is niet genomen, maar verplaatst. Morgen is het weer een dag, maar dan is het feest voorbij.