Lijden op school

Roos zit op de huishoudschool. Ze krijgt een 3 voor het tentamen koffiezetten, omdat ze niet weet wat melitta-koffie is. Ze is sowieso niet goed in zorgvakken. Voor `karamelvla' krijgt ze een 4, omdat die bij haar in zwarte smurrie verandert. Ook van het `pannenlap haken' en het `varkentjes vouwen' brengt ze niets terecht. In voedingsleer en Nederlands is ze beter. Daar krijg je tenminste moeilijke woorden als `glucosemobilisatie'. Roos vindt moeilijke woorden mooi. Ze schrijft ze op in Het Speciale Schrift: `Wimpers van de dageraad/ apropos/ transsubstantiatie/ terminaal/ cohabiteren/ aangezicht.'

De Curaçaose schrijfster Susan Glimmerveen (1963) portretteert in haar debuutroman Kaf het pubermeisje Roos. Ze komt van een Caraïbisch eiland en kan niet aarden op een huishoudschool in een Nederlandse plattelandsgemeente. Ze heeft een rijke fantasie, een kinderlijke geest en intellectuele ouders. Hierdoor voelt ze zich niet thuis tussen de gereformeerde trutjes die sparen voor hun uitzet en een roestvrij stalen pan voor hun verjaardag krijgen.

In het schrift van Roos staan ook mooie zinnen, die ze ooit ergens heeft gelezen: `Waarom ben ik niet gestorven toen ik uit de moederschoot kwam?Waarom hebben knieën mij opgewacht? Waarom borsten zodat ik kon zuigen?' Het liefste zou Roos op het gymnasium zitten, waar ze in de klas gedichten lezen, maar daar heeft ze de capaciteiten niet voor. Als ze thuis weer eens een stomme vraag stelt, moet haar vader om haar lachen, maar ze ziet dat hij eigenlijk in haar teleurgesteld is.

De botsing tussen de dwarse oorspronkelijkheid van Roos en de domme truttigheid van de huishoudschool levert hilarische scènes op. Vooral de kooklessen en de godsdienstlessen weet Glimmerveen goed uit te buiten. Zo mag Roos van haar godsdienstleraar op een dag dwarsfluit spelen in de kerk. Ze raakt in gewetensnood, omdat ze niet meer in God gelooft. Doodserieus zegt ze: `Het is misschien niet eerlijk in verband met de apen. De apen van Darwin.'

Glimmerveen laat haar hoofdpersoon vertellen in korte, eenvoudige zinnen die afwisselend direct en nuchter, en dan weer dromerig zijn. De zinnen bevatten weinig leestekens. Gedachten, citaten en beschrijvingen lopen dwars door elkaar, wat de indruk versterkt dat je naar een kind luistert. De verhalen over de huishoudschool wisselt ze af met brieven, woordenlijsten uit Het Speciale Schrift en ontroerend naïeve opstellen. De humor en de spanning zitten vaak in de onnozelheid waarmee Roos dingen beschrijft die ze zelf niet begrijpt, maar de lezer wel. De grap van tentamen koffie zetten is leuk, maar niet leuk genoeg om een hele roman te dragen. Daarom brengt Glimmerveen contrapunten aan. Ze weet aannemelijk te maken dat het lijden van Roos het doorsnee puberleed overstijgt, waardoor de roman aan diepte wint. Ook biedt ze Roos enkele vluchtmogelijkheden die de schoolsleur doorbreken en het boek extra spanning geven.

De eerste vluchtmogelijkheid is een aardse. Roos krijgt een vriendin: Jacqueline, een rebelse del uit de Randstad. Met de komst van Jacqueline breekt een leuke tijd aan voor Roos en de lezer. De vriendinnen pesten leraren, lezen stiekem seksboekjes en bellen wasmachinereparateurs om te vragen of ze fors geschapen zijn. Deze scènes zijn hartverwarmend door de echte liefde tussen de twee, en grappig omdat de kinderlijke Roos ze zo anders interpreteert dan de vroegrijpe Jacqueline. Het bekende puberspel van vreemde mensen bellen krijgt een hele andere lading doordat Jacqueline veel te ver gaat en het gesprek met de wasmachinereparateur uitloopt op telefoonseks. Dat is vooral schrijnend omdat Jacqueline is misbruikt door haar oom. Nadat Jacqueline van school is gestuurd, wordt Roos, en daarmee ook de roman, steeds somberder. Roos vlucht in een relatie met haar wiskundeleraar die de bijnaam `Psalm 119' heeft, omdat hij zo lang is. Ze beschrijft ontluisterend plastisch en onverschillig de seks met deze onsmakelijke man. `Ik zie aldoor het beeld van zijn witte wippende billen en de enorme gele gerimpelde voetzolen eronder. [...] Dan is er de doodskreet. [...] Een geur van verslagenheid verspreidt zich rond het bed, alsof al het verdriet van de wereld in dat zielige roze hoopje is samengebundeld.'

Een betere vluchtmogelijkheid is de fantasiewereld van Roos waarin zij herinneringen aan haar geboorte-eiland vermengt met fantasieën over een zwarte halfoom, een nobele wilde met één been. Deze passages zijn poëtischer dan de scènes op de huishoudschool. Roos gebruikt hierin vaak de moeilijke mooie woorden en zinnen die ze in haar schriftje verzamelt. Fragmenten uit het dagelijkse leven van Roos duiken op in de droomwereld en vice versa, tot ze op de laatste bladzijde samenvallen.

Een belangrijke rol in de droomwereld is weggelegd voor de passaatwind, waarover ze een scriptie maakt die `Het Weer' heet. Vroeger geloofden de zwarte slaven op het eiland dat de passaat hen zou terugbrengen naar Afrika. Daarom wierpen ze zich 's nachts van de rotsen. Het boek opent met dit verhaal, dat later steeds terugkeert. Deze passages, en vooral het huiveringwekkende en verrassend dichterlijke slot, tillen het verder zo grappige en nuchtere boek boven zichzelf uit.

Susan Glimmerveen: Kaf. De Arbeiderspers, 282 blz. ƒ34,95