Leve de zakenman

`Intellectuelen worden in democratieën zelden erg serieus genomen.' Na Arnon Grunberg reageert Ian Buruma op Rudy Kousbroek en H.J.A. Hofland, die de commercie als een bedreiging voor de cultuur beschouwen.

De angst dat de ondergang van de Westerse beschaving voor de deur staat heeft een lange, en niet altijd verkwikkende traditie in Europa. Er kleeft aan deze vrees een ietwat Duitse geur. Oswald Spengler, Ernst Juenger, en anderen, hebben ons herhaaldelijk gewaarschuwd voor de ondergang van het Westen, en de opkomst van, om maar een paar dingen te noemen, het Oosten, een nieuw superras, het barbarisme van de technologie.

Maar ook Franse denkers – soms met een germanofiele inslag – hebben er een handje van om te zwelgen in cultuurpessimisme. Ik heb een enigszins masochistisch zwak voor dergelijke literatuur. De essays van Charles Maurras, bijvoorbeeld, de gecultiveerde antisemiet en oprichter van Action Française, mag ik graag lezen op een lege zondagmiddag. Maurras zag Engeland, Amerika, en joden als de grootste bedreiging van de klassieke Europese, d.w.z. Franse beschaving. Ik wordt daar weleens gedeprimeerd van, maar doemdenken heeft ook vaak iets komisch', wat de depressie weer doet verdwijnen. Een van mijn lievelingsfiguren in dit genre is een zekere Fougeret de Mombrun, pornograaf van beroep, en de auteur van Preservatif contre l'angleterre (een niet ongeestige woordspeling: preservatif kan ook condoom betekenen).

In dit korte werkje, geschreven in de laatste jaren van het ancien régime, toen revolutionairen als Robespierre nog een bewondering hadden voor Britse vrijheden, fulmineerde Mombrun tegen alles wat Engels was: sport, romanliteratuur, Shakespeare, rosbief, de kleren, en zo nog veel meer. Maar wat Mombrun, en zijn geestesgenoten, vooral tegen de borst stuitte was de commercie, het platte materialisme van Engeland, de vulgaire volkscultuur (Shakespeare met name), het losbandige gepeupel in de politiek, de verering van beroemdheden, mode, geld, de cultuur kortom gedreven door die afschuwelijke zakenmannen. Frankrijk had `civilisation', Engeland had de beurs. En de beurs, dat gouden kalf van Londen, werd in de ogen van veel anglofoben (onder wie later ook Karl Marx) beheerst door joden – net zoals tegenwoordig, zo hoort men weleens, Hollywood, de New York Times, en het Amerikaanse zakenleven in het algemeen.

En nu heb ik vernomen dat ook in Nederland de ondergang van de beschaving weer voor de deur staat. Het verguisde land is in dit geval niet Engeland meer, maar Amerika, het tweede Engelstalige imperium. Verder is er sinds de 18de eeuw schijnbaar weinig veranderd. Het is nog steeds het platte materialisme van de zakenmannen, de verering van geld en vulgair entertainment, en die walgelijke vrije markt die ons verdoemt.

Het is moeilijk te ontkennen dat veel Amerikaanse popcultuur getuigt van een haast fascinerende banaliteit. De shows van Jerry Springer, om maar een voorbeeld te noemen, of willekeurig welke film met Chuck Norris of Sylvester Stallone, de stroperige vraaggesprekken met Larry King op CNN. Het is allemaal prut. Misschien is het geen slechtere prut dan wat de Nederlandse, Franse, Engelse of Duitse presenteert, maar Amerika produceert nu eenmaal meer dan andere landen, dus ook meer prut.

Het is ook waar dat de televisiedebatten tussen Al Gore en George W. Bush geen hoog niveau wisten te bereiken. Het was een show, net als een Larry King-gesprek: gelikt, ingestudeerd, en oppervlakkig. Misschien – ik ben er niet zeker van – komen de meeste Europese politici beter voor de dag, maar de hele wereld kijkt nu eenmaal niet naar Wim Kok of Lionel Jospin, en wel naar Bush en Gore. Overigens is niet alles in de Amerikaanse politiek bedoeld als entertainment, of zelfs in de verste verte amusant. De ontwikkelingen in Florida tonen aan hoezeer Amerika wordt beheerst door het recht, door juridische procedures. Er zijn slechtere manieren om een maatschappij in te richten.

In ieder geval valt er over de middelmatigheid van het gros der Amerikaanse politici en de liederlijkheid van veel popcultuur niet te twisten. Een interessantere vraag is waarom niet-Amerikanen, in Europa en Azië, nu juist vaak het slechtste uitpikken van de Amerikaanse cultuur, terwijl wij voor de hoogste cultuur vaak naar Amerika moeten.

Amerika heeft de beste verzamelingen van Europese en Aziatische kunst, de beste en meest bezochte bibliotheken, en verreweg de beste universiteiten. Of je je nu wilt verdiepen in filosofie, kwantummechanica, of Chinese poëzie, je kunt het nergens beter doen dan in de Verenigde Staten. Amerika is niet alleen dynamischer dan andere landen, maar ook een soort opslagplaats van klassieke, en `hoge' cultuur. En waarom? Onder andere door die zakenlieden, die deze dingen steunen. Nergens ter wereld wordt zoveel privé-geld gestoken in kunst en wetenschappen als in Amerika.

Misschien is het beter als de staat zich meer over de kunst ontfermt, zoals in Nederland lange tijd gangbaar was. Het is mogelijk dat het niveau van de Nederlandse kunst, opgeslagen in de kelders van regeringsgebouwen, veel hoger ligt dan dat wat er in New York te koop is, maar ik betwijfel het.

Het zou in ieder geval onverstandig zijn om staatssubsidies af te schaffen zonder het aantrekkelijker te maken voor bedrijven, zakenlieden en particulieren om hun eigen geld in cultuur te steken, bijvoorbeeld, zoals in Amerika, door belastingvoordelen.

Een van de dooddoeners over Amerika is dat Amerikanen niets weten over het buitenland. Dit is wat de meeste Amerikanen betreft waar. De meerderheid weet inderdaad niet waar Nederland ligt. Sommigen weten misschien niet eens dat het bestaat. Zo heb ik mij herhaaldelijk laten vertellen dat Holland een stad is in Amsterdam. Allemaal waar. Maar hier staat tegenover dat de gecultiveerde minderheid – laten we zeggen de lezers van de New York Times – uitstekend wordt geïnformeerd over andere landen. Het is beslist niet zeker of het andersom ook zo is. Bijna iedereen in de wereld die weleens naar de bioscoop gaat of naar CNN kijkt, heeft een oppervlakkige kennis van de Amerikaanse popcultuur en de presidentsverkiezingen. Maar hoeveel Europeanen, ook intellectuelen, weten veel over de Amerikaanse geschiedenis? Hoeveel begrijpen de meeste mensen van constitutionele debatten in Amerika? In hoeverre is de ongelofelijke culturele, regionale, en sociale verscheidenheid van Amerika aan mensen bekend? Het beste Europese boek over Amerika is nog steeds dat van Alexis de Tocqueville, en dat is twee eeuwen geleden verschenen.

Nu rest de vraag waar het eigenlijk om gaat. Waarom maken sommige knappe koppen zich zulke zorgen over entertainment, popcultuur, het internet, en de vrije markt? Ik vermoed dat het iets te maken heeft met een oud zeer op het vasteland van Europa, en dat is het diepe wantrouwen ten opzichte van democratie. Democratie, zoals Tocqueville al over Amerika opmerkte, brengt een zekere middelmatigheid met zich mee; het is de politiek, niet van helden, maar van de grootste gemene deler. Amerikaanse verkiezingen zijn niet voor niets zo'n show. Om zoveel mogelijk mensen bij het politieke proces te betrekken, mensen van elk onderwijsniveau en cultureel milieu, is het nodig om politiek op een manier te presenteren die lager bij de vloer ligt dan intellectuelen graag zouden zien.

Dit gold trouwens al voor Engeland in de 18de en 19de eeuw. Continentale bezoekers stoorden zich vaak aan de grofheid en platheid van Britse verkiezingen, die inderdaad veel weg hadden van volksfestijnen. Die Europeanen waren een ander soort politiek gewend: min of meer autoritair bestuur door een aristocratie of een staat die wist wat de `wil van het volk' was. Engeland had een vrijere markt, voor politiek, maar ook voor kunst en ideeën, dan de meeste andere Europese landen, en dat betekende behalve een grote vitaliteit, ook een hoop populaire rommel. Alleen Holland had een even commerciële cultuur als Engeland. Het was allang een soort koopliedenrepubliek. En zonder die kooplieden geen Rembrandt, geen Hals, en geen Steen, met zijn viering van de vulgaire cultuur van zijn tijd.

Het is voor gecultiveerde intellectuelen altijd moeilijk te verkroppen dat hun producten op een vrije markt minder goed verkopen dan artikelen die minder hoog mikken. Intellectuelen worden in democratieën zelden erg serieus genomen. Dit is waarom autoritaire staten, die zelf wel uit zouden maken wat goed was voor het volk, vaak een aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op de knapste koppen. Rusland, of Oost-Duitsland leek zo mooi, want daar `kende men nog zijn klassieken', daar las men nog eens een goed boek, of ging naar een klassiek concert, in plaats van te kijken naar CNN of de Jerry Springer Show. En wie maakte in dergelijke landen vaak uit wat goed was voor het volk? Wel, die intellectuelen die bereid waren hun ziel te verkopen.

De vrije markt en nu ook het internet betekent dat iedereen mee kan doen. Alles is toegankelijk. Dit betekent een overvloed aan rotzooi, maar ook een grotere vrijheid. Zelfs de knapste koppen lijden geen honger, en kunnen hun ideeën kwijt. Het is misschien jammer dat niet meer mensen belangstelling voor hen tonen, maar dat is geen hoge prijs om voor vrijheid te betalen. Ik zie de vrije markt daarom niet als vijand, maar als beschermer van mijn vrijheid; iedereen mag meedoen, dus ik ook. Zakenmannen, zonder dat zelf altijd te beseffen, helpen om die vrijheid te bewaren. Ik zie ook Amerika niet als vijand, maar juist als de beschermer van onze beschaving, en niet alleen in de zin dat Amerikanen ons telkens weer moeten redden van onze neiging om onze eigen beschaving om zeep te helpen.

Volgende week reageert Rudy Kousbroek op dit artikel en op het stuk van Arnon Grunberg in CS van 24/11