Kampioen van de Derde Wereld

Jean Paul Sartre's dreigende voorwoord paste Les damnés de la terre (1961) van Frantz Fanon als een handschoen. Of, in dit verband toepasselijker, als een kolf. Sartre's requisitoir tegen de blanke man was nog gewelddadiger dan Fanons marsorders aan de Derde Wereld. Toch hebben de twee elkaar maar éénmaal gesproken, een half jaar voor Fanons dood in 1961, verneemt de lezer van David Macey's biografie van Frantz Fanon. Macey heeft het weer uit La force des choses (1963), waarin Simone de Beauvoir van de ontmoeting in Rome verslag deed. Fanon wilde Sartre over zijn boek spreken, en hem tot een radicaler standpunt in de Algerijnse zaak bewegen. Fanon was bezeten van de dood, vond de Beauvoir bij die gelegenheid. Zelf was het paar Sartre-de Beauvoir even tevoren ternauwernood ontsnapt aan een bom die namens de Organisation de l'Armée Secrète (OAS), het geheime leger dat Algerije voor Frankrijk wilde bewaren, in hun portiek was ontploft. De twee Fransen bezwoeren in Rome de angst met mooie muziek en dineetjes in hun favoriete trattoria. Ondertussen zong Fanon de litanie van het bevrijdende geweld in hun oor. `Hij geloofde dat de Algerijnse steden in opstand zouden komen, en dat 150.000 mensen er het leven bij zouden laten. Op sommige ogenblikken sprak hij zelfs van een miljoen doden.' Fanon was ernstig ziek, en wist dat de leukemie hem spoedig zou vellen. Ook uit de tweede hand leest de Romeinse episode als een laatste bedrijf waarin de stervende held de goden vervloekt. In Les damnés de la terre werd dat oordeel testamentair vastgelegd. Niet zonder gevolgen: op de dag dat zijn dood in Parijs bekend werd, haalde de Franse politie het boek uit de etalages.

De aanvang van dit korte leven droeg een noodlottigheid in zich die niet meteen duidelijk was. Fanon werd in 1925 op Martinique geboren, een eiland in het Caraïbisch gebied dat tot op de dag van vandaag bij Frankrijk hoort. Hij kwam ter wereld in zwart middenstandsgezin, creools, maar ook zo Frans dat de jonge Fanon naar een voorouder uit de Elzas werd vernoemd. In die beschermde jeugd merkt Macey wel wat oneffenheden op die aan de stroeve omgang tussen de blanke bovenlaag en de creolen eigen waren, maar Fanons ontgoocheling met het bestaan begon op zijn vroegst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was niet de enige zwarte soldaat die door de chicanes van zijn meerderen met wrok vervuld werd. In zijn brieven naar huis spreekt hij over een oorlog die hij voert `voor boeren die zelf te beroerd zijn om te vechten'. Overigens verloopt alles normaal: hij raakte gewond, werd gedecoreerd, maakte zijn school op Martinique af, en kreeg een beurs om in Lyon medicijnen te gaan studeren.

Tussen 1947 en 1953, het jaar waarin hij Peau noire, masques blancs publiceerde, ligt het verrassende omslagpunt dat hem tot zwarte radicaal stempelde. `Kijk mama, een neger! Ik ben bang!', zo staat het geschreven. De toevallige ontmoeting met een dom wicht werd geladen met het existentialisme waar Fanon in die zelfde tijd zijn vertrouwen in had gesteld: geoordeeld door de blik van de Ander. Met terugwerkende kracht kleurde zijn jeugd zwart, en de bijtende retoriek van de Antilliaanse dichter Aimé Césaire dreunt door in Peau noire, masques blancs. In 1953 nam hij, volgens Macey nog zonder politieke bijbedoelingen, een betrekking aan als psychiater in een Algerijns ziekenhuis. In een voorstad van Algiers, Blida, bedreef hij wat hij `institutionele therapie' noemde. In zijn paviljoen werden patiënten stevig `geshockt' en gedrogeerd, maar Fanon hechtte ook veel waarde aan arbeidstherapie en aan een patiëntenkrant. Het waren vooral Franse `colons' die de kliniek bezochten, maar onder de Arabische patiënten stelde hij vele malen `het Noord-Afrikaans syndroom' vast, een patroon van klachten en kwalen dat Fanon de uitdrukking leek van de benarde positie van de Algerijnen.

Stoornissen

Bij die psychosomatiek kwamen al gauw de ondubbelzinnige verwondingen van mensen die zich tegen het koloniale bewind verzetten en daarvoor hardhandig gestraft werden. Het laatste hoofdstuk van Les damnés de la terre is aan die stoornissen gewijd. Eind 1954 bond het Front National de Libération (FNL) serieus de strijd aan met de Fransen en weldra vonden geblesseerde guerrillero's de weg naar de kliniek in Blida. De oorlog tussen de koloniale autoriteiten en de Algerijnen, tussen de rivaliserende partisanen binnen en buiten het FNL, en tussen het Franse gezag en de opstandige kolonisten die Algerije Frans wilden houden, vormt de stof van drie spannende hoofdstukken in de biografie. Een hoogtepunt daarin is de genadeloze strijd om de `kasba' van Algiers tussen het FNL en de parachutisten van Generaal Massu, van januari tot november 1957. Aan het einde van 1956 had Fanon echter al zijn ontslag als psychiater in Blida ingediend en Algerije verlaten, `nu het onrecht, de ongelijkheid, en de veelvoudige dagelijkse moord op de mens tot wetgevend beginsel zijn verheven', zoals hij in een brief aan de Franse autoriteiten liet weten.

In Tunesië, zelf nog maar net onafhankelijk, zette hij zijn behandelingen van koloniale trauma's voort, maar begon hij ook bijdragen te leveren aan de FNL-pers die in Tunis verscheen. Niet zelden hadden zijn stukken de bedoeling om Frans `links' uit zijn tent te lokken, en tot onvoorwaardelijke steun aan de Algerijnse bevrijdingsstrijd te bewegen. Een socialist als Mitterrand was nota bene van mening dat Algerije Frans was en moest blijven, en de communisten vreesden dat na een vertrek van de Fransen, Amerika het vacuüm zou vullen. Les Temps Modernes, de spreekbuis van Sartre, en enkele andere groepjes protesteerden wel tegen de martelingen die het Franse leger in Algerije beging. Maar Fanon noemde dat het zuchten van `schöne Seelen' die zich in de eerste plaats om het zuivere geweten van de Franse rekruten bekommerden.

Sombere geheimen

In 1960 benoemde de voorlopige Algerijnse regering in Tunis Fanon tot ambassadeur in Ghana. In die hoedanigheid reisde hij rond in Afrika, op zoek naar steun voor de Algerijnse zaak. Hij koesterde de hoop een `Afrikaans legioen' te verzamelen dat in Algerije, maar ook elders de antikoloniale strijd zou strijden. Zonder de vrijheidsstrijd te exporteren hadden kameraden als Kwame Nkroema en Patrice Loemoemba het echter al moeilijk genoeg. In die dagen, toen zijn ziekte zich openbaarde, smeedde hij ook Les damnés de la terre uit al het radicale materiaal dat hij in zijn leven bijeen had vergaard: Frans republikanisme, existentialisme, `négritude' (zwart zelfbewustzijn), sociale psychiatrie en internationale solidariteit. Het boek draagt behalve de sporen van haastige improvisatie, ook de tekenen van zijn verzamelde woede. Een woede die zich in de eerste plaats tegen de blanke hovaardigheid keerde, maar ook tegen de nieuwe gekleurde elite, die na de dekolonisatie de opengevallen plaatsen bezette.

Het voorwoord van Sartre, die zich van de noodzaak van geweld had laten overtuigen, maakte Les damnés de la terre tot een dubbelloops geweer. Macey heeft wel gelijk met zijn vermaning dat Fanon geweld preekte, maar dat hij hoopte dat het resultaat de bevrijding van gekoloniseerde én koloniaal was. Het valt echter niet mee om Fanons vervloekingen te rijmen met zijn humanisme. In Le siècle de Sartre (1999) noemt Bernard-Henri Lévy de apocalyptische taal van Les damnés de la terre: `Het waanzinnige antwoord op een waanzinnige situatie. We praten over een miljoen doden en over twee miljoen vluchtelingen. Eén generatie na het nazisme vindt de Franse Republiek opnieuw de noodwetten en kampen uit ...'.

Macey heeft nog wel meer bezwaren weg te nemen om de lezer, die het `voordeel van de terugblik' heeft, alsnog voor een Fanon te winnen die de verschrikkelijke ontwikkelingen na de Algerijnse onafhankelijkheid niet kon zien aankomen. Hij spaart de vaak onredelijke Fanon niet, en de biografie maakt melding van de gewelddadige zuiveringen die de FNL onder Algerijnen hield.

Macey omzeilt ten dele de problemen die Fanons keuzes achteraf oproepen door uitvoerig de milieus te schetsen waarin de kampioen van de Derde Wereld opereerde. Zodoende krijgt de lezer bijvoorbeeld een gedetailleerd beeld van Martinique in oorlogstijd, en van de Franse psychiatrie (Macey, die ook een biografie over Lacan op zijn naam heeft, maakt veel werk van Fanons gebrekkige kennis van de psychoanalyse!), zonder dat het veel licht op Fanon werpt. Van de tijdgeest en het intellectuele klimaat lijkt vooral Sartre's existentialisme, met zijn drieste voluntarisme, indruk op Fanon te hebben gemaakt. Dat verklaart ook waarom de persoon van Fanon iets raadselachtigs houdt.

Op 22 september schreef zijn voormalige uitgever, François Maspero, een artikel in Le Monde onder de kop: `Frantz Fanon, de man die ons uit de slaap wekt', en David Macey meent dat `zijn woede en edelmoedigheid van geest zijn ware nalatenschap vormen'. Maar wie het Algerijnse slagveld overziet, moet concluderen dat alleen de demonen zijn gewekt, en dat de woede het van de edelmoedigheid heeft gewonnen.

David Macey: Frantz Fanon. A Life.

Granta Books, 640 blz. ƒ107,80

    • Samuel de Lange