Israël moet stoppen met het nederzettingenbeleid

Alle intitiatieven, onderhandelingen en verklaringen ten spijt, lijkt een oplossing voor het conflict tussen Israël en de Palestijnen nog steeds niet in zicht. Een belangrijk, zo niet het belangrijkste obstakel blijft de nederzettingenpolitiek van Israël, meent Jimmy Carter.

Een van de redenen waarom jaren van Amerikaanse diplomatie weinig hebben opgeleverd en dat het geweld in het Midden-Oosten voortduurt, is dat bepaalde Israëlische leiders volharden in het creëren van feiten door de bouw van nederzettingen in bezet gebied.

In september 1978 hebben president Anwar Sadat, premier Menachem Begin en ik in Camp David langdurig over deze kwestie gesproken, voordat we ten slotte instemden met de voorwaarden voor vrede tussen Egypte en Israël en voor de oplossing van problemen betreffende het Palestijnse volk. De bilaterale bepalingen mondden uit in een uitgebreid en duurzaam verdrag tussen Egypte en Israël, op het laatste moment mogelijk gemaakt doordat Israël ermee instemde de kolonisten uit de Sinaï terug te halen. Maar overeenkomstige bepalingen met betrekking tot de status van de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook zijn niet uitgevoerd, met voortdurende confrontaties en conflicten tot gevolg.

De grondslag voor al mijn voorstellen aan de twee leiders was het officiële standpunt van de regering van de Verenigde Staten, dat zich baseert op door de Verenigde Staten, Egypte, Israël en andere landen onderschreven internationaal recht en tot uitdrukking komt in Resolutie 242 van de Veiligheidsraad.

Het was duidelijk dat de Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden een rechtstreekse schending vormden van deze overeenkomst. Premier Begin beloofde dan ook geen nieuwe nederzettingen meer te zullen bouwen na de laatste vredesonderhandelingen. Maar later, onder druk van de Likud-partij, weigerde hij zich aan deze afspraak te houden, met de verklaring dat hij in de veronderstelling had geleefd dat alle vredesbesprekingen binnen drie maanden zouden zijn afgerond.

Er waren enkele voorwaarden verbonden aan het akkoord van Camp David, die betrekking hadden op de Palestijnse autonomie en de bezetting van het land. Het Israëlische militaire bestuur en het burgerbestuur zouden worden teruggetrokken en, na vrije verkiezingen, worden vervangen door zelfbestuur. In 1996 was het zover: Yasser Arafat werd president en er kwam een Palestijnse Raad.

Ook werd overeengekomen dat zodra de macht en verantwoordelijkheden van de autoriteiten waren vastgesteld, de Israëlische troepen zullen worden teruggetrokken en de resterende Israëlische strijdkrachten op aangegeven veiligheidslokaties zullen worden opgesteld.

Tijdens de besprekingen van Camp David kwamen wij evenwel tot de conclusie dat het niet zou lukken de kwestie van de souvereiniteit over Oost-Jeruzalem te regelen. Wel werd overeenstemming bereikt over de navolgende tekst: ,,Jeruzalem, de stad van vrede, is heilig voor het jodendom, het christendom en de islam, en alle volken moeten er vrije toegang toe hebben en vrijelijk hun godsdienst kunnen beleiden en het recht hebben om zonder onderscheid of discriminatie de heilige plaatsen te bezoeken. De heilige plaatsen van elk der drie religies vallen onder het bestuur en het toezicht van hun vertegenwoordigers. Een gemeenteraad die representatief is voor de bewoners van de stad zal zich bezighouden met essentiële diensten zoals publieke nutsbedrijven, openbaar vervoer en toerisme, en zal erop toezien dat iedere gemeenschap zijn eigen culturele en onderwijskundige instellingen kan handhaven.''

Op het laatste moment, na dagen van unanieme instemming, raakten Sadat en Begin het er echter over eens dat er al genoeg controversiële punten in het akkoord stonden en verzochten ze om verwijdering van deze paragraaf uit de definitieve tekst, al stonden ze er nog steeds allebei achter. De twee leiders gaven elkaar wel een verklaring waarin ze het juridische standpunt van hun respectievelijke regeringen ten aanzien van de status van Oost-Jeruzalem omschreven. Ze waren het niet eens over de souvereiniteit, maar stelden wel dat de stad niet verdeeld mocht worden.

Daarop stelde ik hen op de hoogte van het feit dat het standpunt van de VS inzake Jeruzalem zou blijven stoelen op twee verklaringen van respectievelijk ambassadeur Golberg in de Algemene Vergadering van de VN (1967) en ambassadeur Yost in de Veiligheidsraad (1969) waarin Oost-Jeruzalem wordt gezien als onderdeel van de bezette gebieden, samen met de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook.

Het akkoord van Camp David werd met veel tamtam en enthousiasme getekend door alle drie de leiders. President Sadat en premier Begin omarmden elkaar hartelijk bij de plechtigheid op het Witte Huis, en het definitieve document werd door de respectievelijke parlementen met een overweldigende meerderheid geratificeerd.

Met de inauguratie van president Ronald Reagan volgde een periode van relatieve inactiviteit in het Midden-Oosten, afgezien van de Israëlische invasie van Libanon en de daaropvolgende verdrijving van de PLO uit Beiroet. President Reagan greep de aankondiging van deze gebeurtenis op 1 september 1982 aan om het thema van de Westelijke Jordaanoever en de Palestijnen aan te snijden. Hij stelde klaar en duidelijk dat de overeenkomst van Camp David de basis bleef voor het beleid van de VS.

In 1991 ontstond een ernstig geschil tussen de regeringen van premier Yitzhak Shamir en president George Bush over de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, waarbij Amerika dreigde financiële steun in te trekken als men doorging met de bouw van nederzettingen.

Dankzij Noorse bemiddelaars kwam twee jaar later, in september 1993, een overeenkomst tussen de Israëlische premier Yitzhak Rabin en Arafat, waarin beide partijen zich vastlegden op een gefaseerd vredesproces. Samen met de akkoorden van Camp David vormde deze overeenkomst de basis voor latere vredesbesprekingen. Tot dusverre hebben alle pogingen gefaald.

De belangrijkste kwesties die nog moeten worden opgelost, zijn nog steeds dezelfde: de definitieve grenzen van de staat Israël, de terugkeer van, of compensatie voor Palestijnen die niet meer naar hun vroegere huizen kunnen terugkeren, en de status van Jeruzalem.

Het lijkt haast onvermijdelijk dat de Verenigde Staten nieuwe vredesinitiatieven zullen ontplooien, maar het is onwaarschijnlijk dat op deze punten vooruitgang wordt geboekt zolang Israël vasthoudt aan zijn nederzettingenbeleid, een beleid dat illegaal is volgens het internationale recht dat door de Verenigde Staten en alle ander landen wordt onderschreven.

Er zijn veel vragen en het zoeken naar een mogelijkheid het geweld in het Midden-Oosten te beëindigen gaat door. De vele vragen mogen echter het zicht op de belangrijkste vraag niet verhullen. Die vraag luidt: Land of vrede?

Jimmy Carter is voormalig president van de Verenigde Staten en thans voorzitter van het Carter Center in Atlanta.

©LAT-WP Newsservice