Het lam en het laurierblad

De mens wil niet dood, maar hij wil eigenlijk ook niet leven. Wat wij `ik' noemen, is een wankel samenraapsel van wat ons door anderen is aangepraat. Wie ergens woont, hoe mooi ook, zou liefst vandaag nog zijn huis ontvluchten, of, als dat niet kan, de hele boel kort en klein slaan. `De echte woonkunst', zo schreef Patricia de Martelaere, brengster van al dit onheilspellende nieuws, in haar essaybundel Verrassingen (1997), `is de kunst van het verhuizen'. Wie gesteld is op zijn zekerheden, zal er bij haar niet geruster op worden. Met een streng oog beziet zij in haar filosofische beschouwingen het menselijk leven, dat heel anders in elkaar lijkt te zitten dan wij hadden gedacht of gehoopt. En het gekke is dat je daar op een bepaalde manier toch ook weer tamelijk vrolijk van kunt worden, want haar observaties zijn niet alleen priemend, maar vaak ook buitengewoon geestig en altijd concreet.

De huiselijke, zij het ook bepaald onknusse inslag van haar beschouwingen zal door theoretischer ingestelde vakgenoten misschien niet altijd worden gewaardeerd. Maar de gewone lezer kan alleen maar blij zijn met de hoekige levenslessen die zij te bieden heeft, niet zelden met een beroep op of verwijzing naar Wittgenstein, Nietzsche, Freud, Schopenhauer, de quantummechanica of Descartes. Vooral legt zij de vinger op onze beperkte, inconsequente visie op het omringende.

Wij houden van de natuur, maar dan toch meer van de dolfijn dan van de onaanzienlijke rog, meer van de roos dan van de distel, meer van de aangelegde dan van de woeste natuur. Onze hartelijke genegenheid gaat uit naar lammetjes in de wei, maar hun schattigheid gaat onherroepelijk verloren `zodra ze met een laurierblaadje op ons bord prijken'. Aan een muis voeren we zonder morele bezwaren gif, maar als de poes met een muis gaat sollen, of een kind met een spin of een sprinkhaan, dan vinden we dat akelig en wreed. Als wij `de mens' slecht noemen, dan bedoelen we daarmee altijd de ander en niet onszelf. De Martelaere deelt aan de lopende band van dit soort speldenprikken uit, die steeds weer verrassen en aan het denken zetten over hoe dat moet, leven.

Gevaarlijke gek

Ook in haar nieuwe essaybundel, Wereldvreemdheid, slaat ze ons met veel genoegen weer enkele houvasten uit handen. De liefde voor een partner, beweert zij, wordt na een korte periode van verliefdheid, al gauw `kleinzielig, vitterig en hoogst conditioneel', omdat wij ons niet blijvend kunnen verzoenen met de mens die hij of zij toevallig is. En dus moet de geliefde gekneed worden naar het door ons gewenste beeld. Wie medelijden meent te hebben met een ander, heeft het, via `onbewuste identificatie', vooral met zichzelf. Ook wijst ze erop hoe merkwaardig het is dat we ons altijd met het slachtoffer identificeren en niet met de dader, die toch evengoed tot de menselijke soort behoort, al proberen we hem apart te zetten door hem onmens te noemen, of psychopaat of gevaarlijke gek.

Als ik haar goed begrijp, dan zit er niet veel anders op dan te leren omgaan met onze tekortkomingen. Zij wekt althans nergens de suggestie dat we iets moeten doen: rusteloos op zoek naar steeds andere partners, het huis in brand steken, nooit meer medelijden met iemand hebben, of er meteen maar een eind aan maken om van al het gezeur af te zijn. Wat wij wel zouden moeten proberen van De Martelaere, is een toontje lager te zingen. Onszelf minder serieus te nemen, minder gewicht toe te kennen aan onze te wantrouwen gevoelens en gedachten.

Als zij het heeft over `de mens', dan bedoelt zij de westerse mens die, anders dan eertijds de stoïcijn, anders ook dan de wijzer geachte oosterse mens, de taoïst vooral, maar matig toegerust is voor het leven. De grote kwestie die zij steeds weer aansnijdt, en die haar tot zo'n doelbewuste en ook tot een idealistische filosoof maakt, is er één van leven en dood. Hoe leeft men zo goed mogelijk naar zijn dood toe, – dat is de kwestie in een notendop. De onmogelijke opgave waarvoor de mens zich immers vanaf de wieg ziet gesteld, is om te leven met de onwrikbare gedachte ooit ook weer te moeten sterven. Helaas staat ons geen dodenboek ter beschikking, zoals de Tibetanen dat hebben, om lering uit te putten. Ook ontbreekt ons de innerlijke discipline, die de oosterse mens zich door veel meditatie- en yoga-oefeningen eigen maakt, om ons van ons hardnekkige zelfbewustzijn te kunnen verlossen.

Pretpark

Alleen voor kunstenaars en schrijvers maakt De Martelaere een uitzondering. Zij zouden uit de net iets ijlere, bovenpersoonlijker aard van hun kunstenaar- of schrijverschap, wereldvreemd genoeg zijn om zonder dit soort disciplinaire maatregelen een zekere voeling te hebben met de dood.

Voor de gewone sterveling ligt dat moeilijker. Als wij onze grenzen willen verleggen, zo legt De Martelaere uit in haar meest hilarische en tegelijk ook meest essentiële essay, `De Dalton Terror', dan zijn wij aangewezen op platvloersere middelen. Dan is misschien het pretpark een goede plek om te oefenen in sterven. Want voor degene die alles liever zou willen dan plaats te nemen in de Python, die vijf keer over de kop gaat, de Flash Back, de achterwaartse wildwaterbaan, of de Dalton Terror, waarin men eerst omhoog wordt geschoten om vervolgens weer loodrecht, met stoel en al, naar beneden te storten, is zo'n zenuwslopende belevenis te vergelijken met een bijna-doodervaring. Toch is het niet genoeg om de beproeving van zo'n zogenaamde attractie te doorstaan, met knikkende knieën, een overslaand hart en pijn in de buik. Iemand kan zich pas echt van zijn angst verlossen als hij zich over durft te geven aan een vrije val, en zich er niet meer met hoofd, hart en buik tegen verzet.

Overgave is hier het toverwoord, maar hoe bereikt men die staat van genade? Het antwoord is van een verraderlijke eenvoud: door niets te doen. Maar dat nietsdoen blijkt dan weer een heel ander soort bewustzijn te vergen, dat alleen met veel `oosterse' disciplinering veroverd kan worden. Voor de westerse mens zijn er, en het is duidelijk dat De Martelaere dat met spijt moet vaststellen, geen zekerheden tussen wieg en graf. Wij moeten dus maar hopen dat wij in het uur van de waarheid iets zullen hebben aan de symbolische doodsmakken die eraan voorafgingen, in het pretpark van het leven.

Patricia de Martelaere: Wereldvreemdheid.

Meulenhoff, 160 blz. ƒ32,90