Genrevermenging

Kaliber, waarvan onlangs het tweede nummer verscheen, is een tijdschrift over misdaad en literatuur. Het wordt gemaakt door de Nederlandse grootmeesters van het genre: René Appel en Tomas Ross. Het blad staat voor een herwaardering van het misdaadgenre, uitgegroeid tot een `volwaardige tak van de literatuur en de cinematografie'.

Een uitgebreid stuk is gewijd aan `misdaad op komst', een signalerend stuk over te verschijnen thrillers. Verwachtingen uitspreken over deze boeken, op basis van eerder werk van de auteurs, doet de anonieme auteur van het artikel niet. Alleen over de beloofde inhoud zegt hij iets. Ten onrechte wordt zo de indruk gewekt dat al die thrillers de moeite waard zijn. De kritiekloze houding van Kaliber zie je vaak als het gaat om de emancipatie van een (literair) genre. Doen alsof alles altijd even fantastisch is en gaat zijn, is alleen allesbehalve spannend.

Dat is niet het enige bezwaar aan Kaliber. In dit tijdschrift staan feit en fictie broederlijk bijeen en dat is, op zijn zachtst gezegd, even wennen. Rinus Ferdinandusse en Tomas Ross komen met een fragment uit hun nog te verschijnen thriller, De mannen van de maandagochtend. Twee bejaarde mannen nemen wraak op iemand die hen als jonge jongens in het verzet verraadde. Er wordt een stuk elektriciteitsbuis in zijn anus geschoven. Kaars en brander staan klaar. ,,En je klemt je reet dus om die buis tot-ie doorbrandt. Dan hoor je een knal. Dan ben je je kringspier kwijt.''

Als dit een verslag was van een waargebeurde marteling, zouden walging en ontzetting de overhand hebben. Geen normaal mens zou het genietend van de spanning tot zich nemen. Vandaar dat de gelijkschakeling tussen werkelijkheid en fictie in Kaliber wat moeizaam en geforceerd is. Van Frank Bovenkerk, hoogleraar criminologie, biedt het blad het buitengewoon interessante artikel `Etnische minderheden en criminaliteit: het verzwegen vervolg op de IRT-affaire'. Maar hier gaat het dus om echte misdaad, om lijden berokkend aan echte mensen. Dat staat mijlenver af van de verzinsels, hoe levensecht soms ook, van mensen die misdaadverhalen schrijven.

In het redactioneel noemen René Appel en Tomas Ross als reden voor de vermenging dat misdaadauteurs en filmers hun fictie tegenwoordig vaak op feiten doen berusten. Het `detectiefje', `stiefkindje van de literatuur en de cinematografie', is ingehaald door de `true crime'. Nieuwe auteurs baseren zich op `bestaande personages, complotten en doofpotten.' Dat is allemaal waar, maar dan is het logischer de verhalen en gedichten uit Kaliber te combineren met artikelen over hóe auteurs situaties uit de werkelijkheid transplanteren naar fictie. Logischer dan artikelen te plaatsen, hoe goed en gedegen ook, over die werkelijkheid zelf.

Theo van Gogh pleit in Kaliber voor de invoering van castratie van pedofiele misdadigers, en voor het bekend maken van hun adres. Onder de kop `Demagogie?' schrijft hij: ,,In stilte bid ik altijd dat de deskundigen die zo goed weten waarom pedofielen niet gecastreerd mogen worden en niet weggejaagd door de buurt zelf op een dag thuis mogen komen om het lijk van hun kleine lieveling in ontvangst te nemen.'' Zo'n pleidooi, Van Gogh is volkomen serieus, combineert dan weer een beetje vreemd met bijvoorbeeld de luchtige gedichten van Jan Boerstoel en Daan Zonderland in het blad.

Kaliber, tijdschrift over misdaad en literatuur. Okt. 2000. Uitg. Scepter Boekproducties Amsterdam. ƒ17,50.