Een postkantoor vol kunst

De Stichting Smokkel organiseert projecten waarbij wordt gekeken of kunst buiten de context van de museummuren kan overleven. ,,Als je voorbijgangers verrast in een postkantoor, dan is het nog maar de vraag of ze een werk herkennen als kunst.''

Een uur lang lag Desirée Palmen gekruld op een bankje van een tweede klas treincoupé. Haar oranje pet, broek en jas versmolten met de kleur van de stoelen, een bruine streep over haar middel deed dienst als virtuele armleuning. Eerder al had Palmen camouflagekleding ontworpen voor een postkantoor. Gekleed in de kleuren van de deurposten en met een reclamesticker van de KPN op haar gezicht geschminkt werd zij zo goed als onzichtbaar voor de bewakingscamera.

Het zijn maar twee voorbeelden van de projecten van Stichting Smokkel, een samenwerkingsverband tussen vijf kunstinstellingen in Nederland, Luxemburg, België en Duitsland. De Duitse initiatiefneemster Anke Schäfer `smokkelde' al in 1996 kunst de vitrines in van natuurhistorische musea in Bonn en Maastricht. Een jaar later maakte zij als `live-moviestar' Jane Blond een geïmproviseerde actiefilm in wapenwinkels en autoshowrooms. Met Smokkel diepte ze het idee van `kunst als contrabande' verder uit.

Daar waar Marcel Duchamp een urinoir signeerde, hem in een galerie plaatste en het kunst noemde, kiezen de deelnemers van Smokkel voor de omgekeerde route. Zij halen de kunst juist uit het museum en kijken of het buiten die context nog als kunst kan overleven. ,,Nodig tien kunstbobo's en wat journalisten uit bij de presentatie van je werk en het wordt vanzelf kunst'', stelt Schäfer. ,,Een tentoonstelling is een enscenering, de omgeving van een galerie of museum verleent het werk al het stempel `kunst'. Wij proberen juist werk te tonen op plekken waar niemand het verwacht. Het publiek is ook geen bewust publiek, het zijn gewoon passanten. Binnen het concept van Smokkel wordt iedere plek een potentieel kunstterritorium.''

Aangezien de werken van Smokkel vluchtig van aard zijn ze bestaan immers alleen op het moment van uitvoering geldt de catalogus als `tentoonstellingsruimte'. Hierin is op foto's onder meer te zien hoe Alexander Petrelli, maker van de `overcoat gallery', als een artistieke potloodventer nietsvermoedend winkelpubliek belaagt. En hoe een groep bejaarden onder leiding van Ines den Rooijen een `beeld' bestaande uit 40 koffers deponeren in de garderobe van het Stedelijk Museum van Amsterdam, waar ze vervolgens wekenlang ongestoord bleven staan.

Schäfer erkent dat het tonen van kunst buiten de museummuren in veel landen inmiddels gemeengoed is, maar brengt een onderscheid aan. ,,Als er tijdens de Documenta in Kassel foto- en videowerken in de metro zijn geïnstalleerd herkennen de meeste mensen dat wel als kunst. Ze zijn vaak vooraf al geïnformeerd door de media. Maar als je voorbijgangers verrast in een café of postkantoor – een plek voor een pilsje of een postzegel – dan is het nog maar de vraag of ze een werk herkennen als kunst. En als dat niet het geval is dan kan je je afvragen of het wel kunst is. Dit soort projecten zijn verwarrend voor het publiek omdat de waarde van dat stukje openbare ruimte verandert, maar het is ook lastig voor de kunstenaar. Die kan namelijk niet meer rekenen op de automatische erkenning als kunstenaar. De legitimering van zijn werk blijkt dan voor een groot deel in de omgeving te liggen.''

Omdat Stichting Smokkel niet alleen passanten wil verrassen maar ook een dialoog wil aanzwengelen, is er een methode ontwikkeld om de `tijdelijke invasie' van het publieke domein zichtbaar te maken. Een speciaal uitgenodigde reporter beschrijft de zogenoemde `producten'. De vorm en omvang van deze verslagen zijn echter geheel vrij en gaan vaak meer over de kijkwijze van de verslaggever dan over hetgeen bekeken wordt.

,,De meeste projecten bevinden zich op het randje van het zichtbare. De taak van de reporter is om ze als het ware te ontmaskeren. Aan de ene kant ben je als bewust ooggetuige de medeplichtige van de smokkelaar, anderzijds verraad je hem eigenlijk'', vindt Wapke Feenstra, die rapporteerde over Georg Winters uitstalling van flesjes lensvloeistof in een museum in Budapest. ,,Geheel toevallig ben ik daar terechtgekomen en ook mijn verslag hangt van de toevalligheden aan elkaar. Het feit dat ik de taal niet sprak, de aanwezigheid van een groep soldaten en mijn persoonlijke interesse voor honden, spelen in mijn verhaal een veel grotere rol dan Georgs werk.''

Dat de verslaglegging niet alleen een kunstzinnig kader schept maar ook anderszins de smokkelwaar van betekenis kan voorzien, ondervond camouflagekunstenaar Palmen in een Maastrichts postkantoor. ,,In eerste instantie wist de manager niet wat hij met mij aanmoest. Er zijn geen regels tegen het onzichtbaar worden voor een bewakingsmonitor. Maar toen hij in de gaten kreeg dat reporter Stefan Römer mij filmde, werden we meteen het gebouw uitgezet. Het filmen was iets waarvan hij wist dat het verboden was en daarmee werd ook mijn werk officieel. Officieel illegaal dus.''

Smokkel Produktcatalogus. ISBN 90-9014026-3, ƒ25,-. Te bestellen via Smokkel.info@gmx.net.

    • Edo Dijksterhuis