Een hang naar het relledellerige

,,Dat lijkt me nou een heel vervelend idee'', zei Wim Sonneveld, toen zijn vriend Friso Wiegersma een liedje wilde schrijven over de teloorgang van het dorp uit zijn jeugd. Goed, dacht Wiegersma, dan niet. Maar toen Sonneveld hem enige tijd later vroeg een vertaling te maken van het pastorale La montagne van Jean Ferrat, greep hij alsnog zijn kans. Ferrat zong over de leegloop van de Franse bergdorpen, waar de jeugd naar de stad trok. En zo schreef Wiegersma dus toch de tekst die hij aanvankelijk wilde schrijven, over de langzaam maar zekere verloedering van zijn geboortedorp Deurne. `Thuis heb ik nog een ansichtkaart...'

Die ansichtkaart staat nu afgebeeld in de bundel Telkens weer het dorp. Een kar met paard is er niet op te zien, evenmin als een juffrouw op een fiets of een slagerij die J. van der Ven heet. Maar de kerk wel. En wie nu naar Deurne gaat, kan er nog steeds de hoge bomen langs het tuinpad van Wiegersma's vader zien staan. Het woonhuis is museum De Wieger geworden, ter herinnering aan de kleurrijke dorpsdokter die tevens kunstschilder was en in de jaren dertig het middelpunt vormde van een bonte vriendenkring van kunstenaars. Friso Wiegersma en zijn broers, kortom, groeiden op in een artistiek milieu.

Gelegenheidsdichtertje

Dat hij het weemoedigste chanson zou schrijven dat Wim Sonneveld ooit zong, lag echter niet voor de hand. Hij was in zijn jeugd weliswaar een `bekwaam gelegenheidsdichtertje', maar studeerde kunstgeschiedenis, kwam in 1947 via Sonneveld in contact met het theater en werkte jarenlang als decor- en kostuumontwerper. Pas begin jaren zestig vroeg Sonneveld hem een liedje te schrijven. Zelf had Wiegersma daar niet eerder aan gedacht. `Ik kwam niet op het idee omdat Wim niet op het idee kwam,' stelt hij simpelweg vast – en het was nu eenmaal zo dat hij uitsluitend op bestelling een tekst schreef.

Wiegersma's oeuvre is zodoende beperkt gebleven, maar het omvat wel de twee klassiekers die in de titel van de bundel zijn samengebracht: Telkens weer, het centrale lied uit de film Rooie Sien dat het lijflied van Willeke Alberti werd, en Het dorp. Ook andere Sonneveld-successen zijn van zijn hand, zoals Nikkelen Nelis (`zij kon het lonken niet laten'), het vileine Lieveling en het wufte Josefien. Hij had, net als Sonneveld zelf, een hang naar het relledellerige, waarbij een woord als `losbandigheid' zo languissant mogelijk gezongen moet worden, maar hij toont zich ook lyrisch, verfijnd en licht-melancholiek.

In de onderhoudende herinneringen waarmee Wiegersma de teksten in de bundel heeft gelardeerd, komt zijn heimwee naar een elegantere tijd mooi naar voren als hij vertelt over de door Sonneveld geproduceerde musical De kleine parade (1969), naar de lichtvoetige jaren-dertig-verhalen van Henriëtte van Eyk. De voorstelling moest `hyper-elegant' worden, maar de recensenten vonden het `flinterdun'. Een typisch Nederlandse reactie, schrijft de tekstdichter, en voegt er een typische Wiegersma-formulering aan toe: `Natuurlijk was het flinterdun, want ik had een zeepbel voor ogen, terwijl de Nederlandse smaak meer ophad met een voedzame portie erwtensoep. En met erwtensoep is het moeilijk bellen blazen.'

Titaantje

Qua sfeer is Lennaert Nijgh, wiens teksten al eerder dit najaar verschenen, geheel anders. Hij is een dichter als een titaantje, die schrijft over de zee, over pierewaaien, het eeuwig zoeken naar geluk en de bijbehorende liefdes van één nacht, de kroeg, de onvermijdelijke kater (`ik teken letters op de ruit die in tranen naar beneden stromen') en de reiziger die nimmer vindt wat hij zoekt. `De zanger met papier en pen/ en hoerenloper die ik ben,' dichtte hij. Maar er is één verrassende overeenkomst: de poëzie van Nijgh is minstens zo doelgericht en ambachtelijk doortimmerd als die van Wiegersma.

Nijgh is vooral bekend als de lijfschrijver van Boudewijn de Groot, die als geen ander de gevoelens van de sixties-generatie verwoordde, maar is ook de vakman die voor Jasperina de Jong de geestige musical De engel van Amsterdam schreef. In zijn toelichtingen, die vooral over de autobiografische inspiratiebronnen gaan, zegt hij geen cabaretauteur te zijn, maar de schaarse cabaretteksten misstaan geenszins tussen de vele titaantjesverzen. En ook elders weet hij in weinig woorden tot de kern te komen: `Ze leek me onder haar bikini bruin/ ze had een hoge schutting om haar tuin.'

In tegenstelling tot Wiegersma is Lennaert Nijgh een tekstdichter, die maar moeilijk in opdracht kan schrijven. Daarentegen blijkt hij heel wat verzen te hebben gemaakt die nog door niemand op muziek zijn gezet of uitgevoerd. Ook daarvan nam samensteller Kick van der Veer enkele gave voorbeelden op. Eén juweeltje begint zo: `Waar lopen de straten vanavond naar toe/ zouden ze altijd maar verder gaan?/ Wat doen ze nadat ze de hoek omgaan?/ Ze hebben alvast hun lantarens aan...' Wat zou dat mooi gezongen kunnen worden.

Friso Wiegersma: Telkens weer het dorp.

Nijgh & Van Ditmar, 224 blz. ƒ59,90

Lennaert Nijgh: Ik doe wat ik doe. Nijgh & Van Ditmar, 352 blz. ƒ69,90