Dienstklopster in minirok

Als ik geen salarisverhoging krijg, dan doe ik voortaan ook geen werk dat bij die salarisverhoging hoort.'

Het CS portretteert zeven personages uit J.J. Voskuils romanserie `Het Bureau'. Nummer 3: Sien

`Maarten keek opzij. In de hal, achter de klapdeuren, stond Slofstra een meisje met lang, blond haar en een opvallend kort rokje te woord.

,,Die zal je toch 's avonds in je bed vinden', zei Rentjes verlekkerd.'

Met Sien Flipse deed halverwege deel 2 de vrouwelijke erotiek zijn intrede in het Bureau. We schrijven 1971. Sien meldt zich aan de deur van het instituut op zoek naar een baantje. Ze is een van de zeven kinderen van een postbode, studeert Nederlands, is lerares op een gereformeerd gymnasium en kondigt aan dat ze waarschijnlijk binnen een maand zal gaan trouwen. Tot het einde van de cyclus zal ze een prominente rol op de afdeling vervullen: als degene die altijd klaagt, verantwoordelijkheden ontloopt en vasthoudt aan een star idee over `wetenschappelijkheid' dat Maarten belachelijk vindt. Dat laatste raakt haar, want ze lijkt Maarten te bewonderen.

In de loop van de roman ontwikkelt ze zich tot een van de voornaamste kwelgeesten van Maarten op zijn eigen afdeling. Steeds is ze in de contramine, afwisselend rood van de zenuwen en bleek van woede. Sien, die inmiddels De Nooijer heet, is een dienstklopster wier teksten lezen als het eten van `een bord zaagsel'. Steeds laat ze het oor hangen naar haar echtgenoot Henk, die door Maarten na een telefonisch contact als `een volkomen gevoelloos mens' wordt gediagnostiseerd. Regelmatig staat ze trillend voor Maartens bureau: `,,Ik doe het niet meer!' herhaalde ze. Ze was krijtwit geworden en trilde over haar hele lijf. ,,Ik geloof in geen enkele regeling meer!'' Bovendien manifesteert ze zich als een rasopportuniste.

Maar niet alles aan Sien is onaangenaam. Ze bakt heerlijke taarten, treedt regelmatig op als de persoon die thee haalt en vraagt Maarten bezorgd of hij wel toekomt aan `zijn onderzoek'. Een logische vraag, omdat haar eigen onderzoek – en vooral: het niet hoeven doen van documentatiewerk – haar voornaamste zorg is. Dat niet iedereen een hekel aan haar heeft, blijkt als ze in deel 5 wordt gekozen als de vertegenwoordiger in de Instituutsraad.

Maar de kern van de relatie tussen Sien en Maarten is seksueel. Al bij de eerste ontmoetingen signaleert Maarten niet alleen haar korte rokje, maar ook de hitsige reacties van andere mannen op haar aanwezigheid (`Een stuk, jô!' zei Jan. `Zoiets heb je nog nooit gezien!'). En uiteindelijk, in deel 3, zijn eigen hitsigheid. Hij voelde zich altijd al ongemakkelijk in de directe nabijheid van haar lichaam, maar dan komt de dag waarop zij hem enkele malen kort aanraakt en uiteraard weer een minirok draagt (`Haar rok was zo kort dat zijn blik onwillekeurig afdwaalde naar haar benen, juist toen ze deze over elkaar sloeg, waardoor hij een ondeelbaar ogenblik recht in haar kruis keek.') Vervolgens heeft Maarten, veilig in zijn eigen bed naast echtgenote Nicolien, een droom over haar: `Ze liet zich achteruit de bedstee invallen, hem meetrekkend. ,,Daar gaan we!' jubelde ze. Terwijl hij bij haar naar binnen drong, verbaasde hij zich erover dat ze geen broek aanhad.'

Later zal Ad Muller na een nieuwe aanvaring opmerken: `Je moet maar eens met haar naar bed.' Dat komt er niet van. In deel 7 krijgt Maarten uiteindelijk via via te horen dat Sien hem haat, omdat hij `nooit belangstelling' voor haar zou hebben getoond. Wie Sien vergelijkt met Nicolien, komt tot een opzienbarende conclusie over het erotisch universum van Maarten Koning: de twee vrouwen hebben in drammerigheid, zenuwachtige aanvallen en oeverloos gezeur hun gelijke niet. Waarschijnlijk is dat precies wat Maarten opwindt: een zeurende vrouw.

    • Arjen Fortuin