De schuld van een stadhouder

Hoe gereformeerd was Maurits, zoon van Willem van Oranje en na diens dood de drijvende kracht achter de strijd tegen Spanje? Zeer gereformeerd, blijkens een nieuwe biografie door

A.Th. van Deursen. De historicus houdt hem alsnog verantwoordelijk voor de dood van Oldenbarnevelt.

Aan het eind van zijn leven, in 1625, was Maurits van Nassau stadhouder van vijf Nederlandse gewesten, door velen gevierd als de kampioen van het gereformeerd protestantisme, in heel Europa beroemd om zijn militaire innovaties, een Bataafse Hercules. Voor het kind van een geesteszieke moeder en een vader die zijn familiefortuin had verspeeld in een opstand tegen zijn vorst, was hij nog goed terechtgekomen. Maar Maurits was ook omstreden. Voor sommigen was hij een Bataafse Nero, een tiran, een moordenaar. En dat is altijd zo gebleven. Want `wie Maurits zegt, zegt ook Oldenbarnevelt', zoals het ooit werd uitgedrukt door de historicus A. Th. van Deursen, van wiens hand deze week is verschenen de biografie Maurits van Nassau. De winnaar die faalde. Eeuwenlang heeft het conflict tussen de stadhouder en de landsadvocaat gefungeerd als een historische blauwdruk voor politieke en religieuze conflicten.

In 1618 had Maurits in een groot aantal Nederlandse steden `de wet verzet', hierdoor het politieke krachtenveld in de Republiek veranderd, en een einde gemaakt aan de loopbaan van de landsadvocaat van Holland, Johan van Oldenbarnevelt. Oldenbarnevelt, inmiddels in de zeventig, had nog gediend onder Maurits' vader, Willem van Oranje, de leider van de Nederlandse opstand tegen de Spaanse koning Filips II. Nadat Willem van Oranje was vermoord in 1584, zorgde Oldenbarnevelt ervoor dat Maurits zijn vader als stadhouder opvolgde, en aan hem had hij zijn eerste militaire benoemingen te danken. Jarenlang werkten ze intensief samen. Onder hun gezamenlijke leiding leek de jonge Republiek der Verenigde Provinciën voor het eerst een overlevingskans te hebben. Maurits was kapitein-generaal van het Unieleger, Oldenbarnevelt zorgde dat de belastingbetalers bereid bleven de campagnes tegen de Spanjaarden te financieren en beheerde de diplomatieke betrekkingen van de Republiek. Tien jaar lang behaalden ze het ene succes na het andere. Uiterlijk was de overwinning bij Nieuwpoort in 1600 de kroon op dat werk.

Maar na dat jaar droogden de militaire successen op en werd hun relatie steeds moeizamer. Aanvankelijk raakten ze in conflict over militaire prioriteiten, maar Maurits had ook niet veel op met de manier waarop Oldenbarnevelt vredesonderhandelingen met Spanje voerde. Ook was hij ongelukkig met de voorwaarden van het Twaalfjarig Bestand van 1609. In de jaren daarna verslechterde de relatie door verschillen van inzicht over de buitenlandse betrekkingen en over Oldenbarnevelts houding tegenover de crisis in de gereformeerde kerk.

Die religieuze strijd was een ingrijpende kwestie. De Leidse hoogleraar Franciscus Gomarus leerde dat God zowel had voorbeschikt wie hij zou redden als wie hij zou verdoemen. Zijn collega Jacobus Arminius meende dat de mens Gods genade kon afwijzen, zodat hij weliswaar niet zijn eigen zaligheid, maar wel zijn eigen verdoemenis kon bewerkstelligen. De professorenruzie werd al gauw een probleem voor de kerkenraden, en vervolgens voor de politiek. Konden deze beide interpretaties van de predestinatieleer naast elkaar bestaan in de gereformeerde kerk, de enige die door de overheid officieel toegelaten en beschermd werd? En wie moest daarover beslissen? Oldenbarnevelt en de Staten van Holland bepaalden al in 1610 dat de gereformeerde kerk ook ruimte moest bieden aan Arminius' volgelingen, de remonstranten. Maurits daarentegen, koos in juli 1617 de partij van hun tegenstanders, de contraremonstranten, die zich niet alleen verzetten tegen de ideeën van Arminius, maar ook tegen Oldenbarnevelts pogingen hen tot tolerantie te dwingen. Toen Maurits zijn keuze maakte ging de discussie dus allang niet meer alleen over de voorbeschikking. Het draaide ook om politieke vragen. Kon de overheid uitspraken doen over de kerkleer? Kon het gewest Holland daarover autonoom beslissen, zoals Oldenbarnevelt vond, of moest er een Nationale Synode komen, zoals de contraremonstranten beweerden? En wie was er in de Republiek eigenlijk de baas? Hoe kon het dat Oldenbarnevelt en Holland zoveel macht hadden dat ze het bijeenroepen van een synode konden tegenhouden?

De constitutionele structuur van de Republiek had alleen voorzien in gezamenlijke oorlogsvoering en bood op zulke vragen geen antwoord. De debatten, aangejaagd door preken en pamfletten mondden uit in rellen en arrestaties. In juli 1617 huurden Holland en Utrecht soldaten in, de Republiek stond op de rand van burgeroorlog.

En toen greep Maurits in. Begin 1618 slaagde hij erin zoveel politieke druk uit te oefenen op een aantal steden en staten in het oosten van het land, dat hij de politieke balans in de Staten-Generaal veranderde, en zich vervolgens de opdracht kon laten geven ook de remonstrantse steden in Utrecht en Holland in het gareel te brengen. In juli slaagde hij daarin. Stadsbestuurders en andere ambtenaren werden vervangen door de politieke vrienden van Maurits. De Staten-Generaal riepen de Synode van Dordt bijeen die de remonstrantse ideeën veroordeelde. Oldenbarnevelt werd gearresteerd en een speciale, zeer omstreden, rechtbank veroordeelde hem ter dood. Op 13 mei 1619 werd het vonnis voltrokken.

Tijdgenoten hadden uiteenlopende verklaringen voor het gedrag van de landsadvocaat en de stadhouder. Oldenbarnevelt zou geld hebben geaccepteerd van de Spanjaarden, Maurits zou uit zijn op de soevereiniteit. Maurits was misleid, Oldenbarnevelt was in de val gelokt. De jezuieten hadden het allemaal bedacht. Mythe stapelde zich op mythe. Zelfs de publicatie van originele documenten in de negentiende eeuw bracht de gemoederen niet tot bedaren. Veertig jaar geleden bracht een grote studie over Oldenbarnevelt door Jan den Tex een doorbraak. Hij rekende af met het beeld van Oldenbarnevelt als liberale martelaar en beschreef hem nadrukkelijk als een kundig staatsman die het onderspit had gedolven in een politiek conflict.

Maar al pleitte Den Tex Maurits vrij van allerlei beschuldigingen, diens gedrag was daarmee nog niet afdoende verklaard. Dat vond in elk geval de veelbelovende jonge historicus, A.Th. van Deursen, wiens eerste boek, Honni soit qui mal y pense. De Republiek tussen de mogendheden, 1610-1612, in 1965 verscheen. In de vijfendertig jaar daarna publiceerde Van Deursen met regelmaat over aspecten van Maurits' leven. Zijn boek Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en Kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt ging over de Bestandstwisten. En hoewel hij in zijn volgende boeken Het Kopergeld van de Gouden Eeuw en Dorp in de Polder vooral aandacht besteedde aan het dagelijks leven van Gouden Eeuwers, bleef hij in artikelen ook over Maurits en de Haagse politiek schrijven. En nu is er dan zijn langverwachte biografie Maurits van Nassau, 1567-1625. De winnaar die faalde. Simpel van opzet, vertelt dit boek het verhaal van Maurits' leven in chronologische volgorde, af en toe onderbroken door thematische hoofdstukken.

Maurits werd geboren in Dillenburg in Duitsland, en werd tot zijn tiende jaar voornamelijk opgevoed door zijn vrome oom Jan van Nassau en zijn halfzuster Maria. Zijn moeder, Anna van Saksen, voor wie Van Deursen geen goed woord overheeft, was enkele jaren na zijn geboorte betrapt op overspel. Ze was toen al jaren zeer onevenwichtig, en werd opgesloten. Op den duur werd ze krankzinnig. Zijn vader, Willem van Oranje, leerde hij pas beter kennen toen deze hem in 1577 liet overkomen naar de opstandige gewesten. Hij studeerde in Leiden. Na zijn vaders dood in 1584 trad de jonge Maurits geleidelijk in diens voetsporen.

Over Maurits' gemoedsgesteldheid weten we niet veel. Van Deursen ziet hem als een hardwerkende, nuchtere soldaat die niet aan hoofse manieren deed, simpel leefde, vooral gaf om paarden en wiskunde, af en toe schaakte, op wolven jaagde, of op zoek ging naar vrouwelijk schoon. Zijn emoties toonde hij niet. Hij was geen charmante man, maar ook weer niet hardvochtig. Hij was zuinig op zijn mannen, makkelijk toegankelijk voor lager geplaatsten en zelfs relatief begaan met de burgerbevolking in oorlogsgebieden. Hij was zeer gesteld op zijn neef Willem Lodewijk, maar van andere persoonlijke banden weten we weinig.

Veel uitvoeriger is Van Deursens meesterlijke beschrijving van Maurits' veldheerschap. Met verve beschrijft hij hoe de oorlogvoering werkte; de campagneseizoenen, de techniek van het belegeren, de fundamentele vernieuwingen die Maurits en zijn neef Willem Lodewijk invoerden, de problemen met legertrossen en spionnen, het belang van de ingenieurs en bouwmeesters die de complexe loopgravenstelsels verzorgden die nodig waren om goed verdedigde steden te ondermijnen. Hij beschrijft het contributiestelsel, het geld en de goederen die boeren en burgers in oorlogsgebieden door beide zijden werden afgeperst, en de rooftochten in neutraal gebied die door alle partijen werden gezien als een normaal onderdeel van de oorlogsvoering. En vooral aan de hand van de journaals van advocaat-fiscaal Anthonie Duyck neemt hij ons mee op Maurits' campagnes. Van Deursens visie op de Habsburgse vijand mag dan van erg oud-vaderlandse snit zijn, maar dat doet aan zijn meesterschap niet af. Net als in zijn eerdere werk schrijft hij helder, levendig en suggestief.

Van Deursens analyse van Maurits' motieven is minder toegankelijk.Het grondmotief van Maurits' biografie, zo betoogt Van Deursen, is `de relatie tussen kerk en huis', dat wil zeggen tussen de gereformeerde kerk en het behoud en de reputatie van de familie. Voor Maurits gaat het in de opstand om de gereformeerde religie. `Zijn huis heeft gestreden voor dat geloof, dat het wezenskenmerk is van de staat. Wie deze staat en dus deze kerk bedreigt is zijn vijand omdat zijn huis zich tot de verdediging van de religie verplicht heeft'. Maurits is tegen vrede omdat hij de Spanjaarden niet vertrouwt en vreest dat zij het voortbestaan van de gereformeerde kerk nooit zullen accepteren. Maurits is het met Oldenbarnevelt oneens over diens pro-Franse buitenlandse politiek omdat deze de protestantse zaak op het spel zet. Maurits is bovendien gehecht aan de leer zoals hem die als kind is bijgebracht. Hij kan niet leven met de onderdrukking van het contraremonstrantisme. Het duurde lang voordat hij ingreep, maar dat was bij Maurits eigenlijk nooit anders. Ook als veldheer was hij intens voorzichtig, en dekte hij zich altijd eerst volledig in.

Sommige elementen van deze verklaring zijn makkelijker hard te maken dan andere. Het is zeer aannemelijk dat Maurits hechtte aan de eer van zijn `huis'. Van Deursen kan goed laten zien dat Maurits geen vrede wilde en dat de geschillen over de buitenlandse politiek het breekpunt vormden tussen hem en Oldenbarnevelt. Lastiger bewijsbaar is zijn idee dat het Maurits bij dit alles vooral om de gereformeerde zaak te doen was.

Van Deursen is de eerste om toe te geven dat Maurits' levenswandel niet getuigt van een grote bekommernis om gereformeerde normen. Zijn jarenlange relatie met de katholieke edelvrouw Margaretha van Mechelen, en de buitenechtelijke kinderschaar die hij bij haar en anderen verwekte, vormen daarvoor aanwijzing genoeg. Maar, zegt Van Deursen, dat wil natuurlijk niet zeggen dat de gereformeerde kerk Maurits dus onverschillig liet. Het kan heel goed zijn dat kerk en persoonlijk leven voor hem in verschillende compartimenten vielen. Het kan best dat Maurits niet zo'n goed Christen was, maar niettemin zeer hing aan de kerk.

Maurits hield geen dagboek bij en was geen groot briefschrijver. Van Deursen moet dus woekeren met schaarse beetjes aan informatie. Hij doet dat met overgave, en kan inderdaad laten zien dat Maurits zijn gedrag met enige regelmaat motiveerde onder verwijzing naar de belangen van de kerk en het gereformeerde geloof. Maar dat was natuurlijk ook wat men van hem verwachtte. Betekent dit nu werkelijk dat het conflict met de Habsburgers voor Maurits een godsdienstoorlog was, zoals Van Deursen meent? Of dat hij hechtte aan de contraremonstrantse interpretatie van de predestinatieleer? Van Deursens bronnen spreken het misschien niet tegen, maar deze conclusies zijn toch minder onontkoombaar dan hij het doet voorkomen. Al twintig jaar geleden zei Van Deursen in een korte biografische schets van Maurits dat diens optreden voor hem geen geheimen meer had: `zijn doen en laten kan soms onze ergernis wekken, soms onze bewondering, en heel dikwijls ons ongeduld. Maar verrassen doet het ons nooit'; Maurits' levensgang `schrijdt voort van de ene logische gevolgtrekking naar de andere'. Het is dan ook misschien wel omdat hij zijn interpretatie al zo lang rond had dat Van Deursen voor dit boek weinig inspiratie lijkt te hebben geput uit de nieuwe historische benaderingen die de laatste jaren op andere stadhouders zijn toegepast. Zo is onderzoek gedaan naar de manier waarop achttiende eeuwse stadhouders gebruik maakten van hun recht om talloze ambten in de Republiek te vergeven. Er is studie gemaakt van de politieke boodschappen die tot uitdrukking werden gebracht in de hofcultuur van stadhouders Frederik Hendrik en Willem III, en van de politieke betekenis van de vele afbeeldingen, pamfletten, optochten en gedenkpenningen waarin zij werden geëerd. En nog onlangs heeft Luuc Kooijmans in zijn boek over Willem Frederik laten zien wat de persoonlijke prijs kon zijn van stadhouderlijk plichtsbesef.

Van Deursen heeft geen aanleiding gezien om ook Maurits' optreden vanuit dergelijke perspectieven te bezien. Zijn stadhouderschap en patronage komen nauwelijks aan de orde. Over hofcultuur horen we weinig. We leren wel dat Maurits buitengewoon populair was, en goed lag in de publieke opinie, maar niet waar het publiek zijn beeld van Maurits aan ontleende, of wie dat beeld eigenlijk creëerde. En hij waagt zich niet aan speculaties over de vraag waarom Maurits nooit getrouwd is.

Dat Van Deursen geen behoefte heeft om op dergelijke aspecten in te gaan komt misschien ook omdat hij zich in deze biografie een zeer traditionele taak heeft gesteld. Hij wil Maurits' gedrag niet alleen verklaren, hij wil er ook, en misschien wel vooral, een oordeel over vellen. Dat oordeel is niet mis. Er was, zegt hij, misschien wel een politieke noodzaak voor Oldenbarnevelts arrestatie en zelfs voor het proces en het vonnis. Maar dat Maurits dat doodvonnis liet uitvoeren was onvergeeflijk: `Als er een rechtbank van de geschiedenis bestond zou die over Maurits ondubbelzinnig het schuldig uitspreken'.

Er zijn vandaag de dag niet veel historici die het tot hun taak rekenen dergelijke oordelen te vellen. In eerder werk is ook Van Deursen daarin terughoudender geweest. Misschien wordt dit – bij dit onderwerp – van hem verwacht door de gereformeerde gemeenschap. Vakgenoten zullen minder nieuwsgierig zijn naar Van Deursens morele ordeel. De wereld van de zeventiende eeuw verschilt zozeer van de onze, dat dergelijke oordelen niet erg relevant zijn, en misschien zelfs een goed begrip van de zestiende- en zeventiende-eeuwse werkelijkheid in de weg kunnen staan. Voor de geschiedwetenschap is dit dan ook minder een studie die nieuwe sporen uitzet, dan een boek dat omkijkt naar de vier eeuwen van debat over Maurits van Nassau. Maar het is er niet minder intrigerend om.

In het Rijksmuseum is vanaf vandaag de tentoonstelling `Maurits: stadhouder, prins van Oranje' te zien. Tot 18 maart.

A.Th. van Deursen: Maurits van Nassau, 1567-1625. De winnaar die faalde. Bert Bakker, 331 blz. ƒ39,50 (pbk), ƒ59,50 (geb.)