De onbekende suppoost

In een museum zie je drie soorten mensen. 1. De mensen die naar de schilderijen kijken. 2. De mensen die kijken naar de zakken van de mensen die naar de schilderijen kijken. 3. De mensen die kijken naar de handen van de mensen die naar de zakken van de mensen kijken die naar de schilderijen kijken. Dat had de Franse tekenaar en graficus Gavarni (S.G.Chevalier, 1804-1866) gezien. Hij vertelde het tegen de gebroeders Goncourt die het opschreven in hun dagboek. Ongeveer een eeuw later werd het gelezen door Age Bijkaart, die het vertaalde en het opnam in een van zijn Boze Brieven uit Parijs. Met bronvermelding, vanzelfsprekend. Schrijver dezes las het in Het Parool, moest er om lachen en citeerde het in deze krant. U hebt het gelezen, ik hoop dat u er ook om moet lachen en het bij gelegenheid verder vertelt.

Hieruit blijkt: een mooie waarneming, goed opgeschreven, werkt als een verbale telescoop. Het is een lenzensysteem in woorden. Via deze zinnen bent u even in een tentoonstellingszaaltje in Parijs geweest, in de eerste helft van de eervorige eeuw. Waar was dat zaaltje, bestaat het nog? Dat zou je wel willen weten, om er bij gelegenheid zelf eens te gaan kijken. Zo ver reikt de telescoop niet.

Nog één voorbeeld van telescopische woordwerking. In Bel Ami, roman van Guy de Maupassant, zitten de held George Duroy en madame de Marelle die hij als maÎtresse in ontwikkeling heeft, in een bedenkelijk café. Dat vindt madame de Marelle leuk. Een tafeltje verderop zit een man alleen, wat onderuit gezakt. Hij heeft dicht krullend haar, het is in jaren niet gewassen, het staat stijf van het vuil; uit een van zijn zakken steekt een wijnfles, en, nu komt de voltooiing van dit signalement: zijn jas was een museum van vlekken. Dankzij de blik van Maupassant, de nervenimpulsen die zijn schrijvershersenen activeren en zijn hand die de woorden schrijft, blijft deze man met zijn jas leven, zolang er mensen zijn die lezen. Dat is het wonder van goed schrijven.

Nu dit museum. Garvarni had ook kunnen schrijven: in een museum zie je kunstliefhebbers, zakkenrollers en suppoosten. Dat zal wel. Als je het zo zegt, is het in ieder geval niet om te lachen. Toch zijn de suppoosten degenen die kijken naar de handen, enz. Evenmin als het schilderij en de kunstliefhebber is de suppoost uit het museum weg te denken. Als zij/hij er niet was, zouden er heel wat meer schilderijen gestolen of met een mes gestoken worden en bezoekers gerold. Maar de directeur van het museum en de conservator kunnen beroemd worden, de suppoost blijft naamloos. Hij is de onbekende soldaat van de museale kunsten.

Nadat ik dit (dankzij Garvarni, etc.) had ingezien, ben ik naar een paar tentoonstellingen gegaan om de suppoosten te bekijken. Iedere zaal had er minstens één. Ze deden eens een paar pas naar links, dan weer naar rechts, ze wezen een bezoeker de wc of de uitgang, en verder niets. Als een suppoost zag dat ik tersluiks op hem/haar lette, begon hij/zij mij even tersluiks in de gaten te houden. Ik kwam in een zaal met een paar installaties van de hoogste graad postmoderne flauwekul. Vroeg de suppoost, een man van middelbare leeftijd, of deze aanblik, dag in dag uit, van invloed op zijn humeur was. Hij keek me neutraal aan, schudde het hoofd, zei beleefd: `Nee meneer', en deed een paar passen terzijde ten teken dat het gesprek was afgelopen. In een ander museum zag ik een paar schilderijen die ik bijzonder mooi vond. Dat zei ik tegen de suppoost. De ouverture werd in dezelfde neutraliteit gesmoord.

Suppoosten zijn er niet om de bezoekers te laten delen in hun oordeel over de kunst die ze bewaken. Mij lijkt dat een bovenmenselijke opgave. Maar zij brengen die tot een goed einde, en het bezoek beseft niet hoe blij het daarmee mag zijn. Want stel je voor, een suppoost die je aan je arm meetroont naar een bepaald kunstwerk, en zegt: `Meneer, als u nu werkelijk eens het schoolvoorbeeld van een miskoop wilt bekijken, dan hier! Derderangs idee, materiaal van het Leger des Heils, goedkope afwerking. En weet u wat dat kost!' Of een andere die door je bewondering heenpraat terwijl je de Brug bij Arles staat te bewonderen.

Het bovenmenselijke van de suppoosten is dat ze zich in werktijd door geen kunst laten beroeren, terwijl ze alle kunst bewaken en bovendien op de zakkenrollers letten. Er zou eens één kunstenaar moeten zijn – meer hoeft niet – die de suppoost tot onderwerp kiest. Jeff Koons zou het kunnen, en de mensen zouden zeggen: Koons heeft zich vernieuwd.

Dit stukje heb ik geschreven ter ere van de onbekende suppoost in het algemeen, en die ene die me zei, toen ik aarzelde, of ik een catalogus met werk van Damien Hirst wilde kopen: `Dat zou ik niet doen. It's all crap.'