De noeste reflectie moet worden vergeten

Lang heb ik aan de poorten geklopt van Arjen Duinkers poëzie. Nooit ging er een luikje open, en dat terwijl anderen er getuige hun enthousiaste artikelen een meer dan gastvrij onthaal ontvingen. Waarom moest ik buiten blijven in een sterrenloze nacht van onbegrip en vertwijfeling?

De titel van Duinkers zojuist verschenen zesde bundel, De geschiedenis van een opsomming, nodigde mij uit nog eens van voren af aan zijn poëzie te lezen. En warempel, ik kwam binnen, zij het in de bijkeuken, vanwaar ik het luidruchtig feesten der gasten kon horen en de geuren van gebraad mijn neus bereikten, zonder dat mij nu meteen op de vreugde zelf een blik vergund werd. Maar ik was binnen en dat kwam omdat ik begon te begrijpen wat deze gedichten willen.

Om te begrijpen wat deze gedichten willen moet je oog krijgen voor wat ze niet willen. Daar laten ze zich geregeld over uit. Duinkers poëzie wil niet iets betekenen, wil niet iets vertellen, wil niet iets leren, wil niet abstract zijn, wil geen Nederlandse poëzie zijn en wil al helemaal niet zelf iets begrijpen. Wat zij wel wil is moeilijker vast te stellen. Ik denk dat ze een goed woordje wil doen voor het onbetekenende, voor overdrachtelijk rondslenteren met een vleug weemoed.

In het gedicht `Klaproosje' uit zijn vorige bundel heet het tamelijk expliciet: `Ik zoek niet naar utopieën,/ ik vind slechts een kale stem.' In hetzelfde gedicht gaat het over de `illusie van begrippen', en even daarvoor heet het:

O ja, ik las vurige pleidooien

Smeekbedes en schotschriften,

Maar ik heb geen antwoord

En ik zal geen antwoord hebben.

De `ik' is hier een dichter die de vraag stelt wat `dit intieme uur' hem leert, om vervolgens de lezer te treiteren met het bezingen van een, nee: het mooie klaproosje – waarbij hij plotseling roept: `Dan is er mijn liefde voor paardenvlees'. Natuurlijk heeft hij geen antwoorden op pleidooien, smeekbedes en schotschriften, want voor hem zijn die geen vraag.

En hoewel het in de gedichten van Duinker wemelt van de vraagtekens, staan er eigenlijk zelden echte vragen in. Zijn poëzie is raar genoeg voortdurend een antwoord op niet te stellen vragen. Maar dat is stellig te diepzinnig geformuleerd voor een dichter, die in De geschiedenis van een opsomming niet minder dan voorheen probeert zich nergens op vast te leggen, en al helemaal niet op metafysische of religieuze intuïties.

Deze anti-metafysica begon ooit met een reeks bundeltjes die hij met K. Michel maakte, en hoe verschillend deze twee dichters inmiddels mogen zijn, hun liefde voor `de dingen', die eerder bij K. Schippers en J. Bernlef viel te bespeuren, is nog altijd de motor voor hun poëzie. Met dien verstande dat het bij A. Duinker een stap verder gaat. Die onaanzienlijke dingetjes zijn zo belangrijk dat er soms niks anders meer over dreigt te blijven. Zelfs de dichter verdwijnt. Vandaar wellicht dat er in zijn debuut Rode oever (1988) reeds wordt verzucht: `Kom, dingen die blijven en lachen,/ merk me op!'

Omdat het de dingen en onopvallende gebeurtenissen zijn die er toe doen en niet de mensen, laat staan hun ideeën, dient zich onvermijdelijk het procédé van de opsomming aan. Want zonder structuur of orde scheppen bestaat alles naast elkaar. Dat blijkt niet alleen in De geschiedenis van een opsomming, maar in al Duinkers werk. Vandaar die plotselinge liefde voor paardenvlees, vandaar dat een gedicht `En toen, en toen?' kan heten: steeds kan alles.

Ook de versterkte vorm van de opsomming, de herhaling, treffen we aan. Herhaling heeft altijd iets dwingends en bezwerends. Het gevaar van opsomming en herhaling is echter dat ze een makkelijk middel zijn dat snel verveelt. Beide, voordeel van bezwering en gevaar van verveling, komen in dit werk voor. Recept om een geur te maken voor Nuno Júdice' begint zo

Bloem met de oude naam

Die verdeeld is in graden,

Bloem met de precieze naam

Die niemand kan onthouden,

Bloem met de duivelse naam

Die lijkt op een of ander iets,

Bloem met de gekerfde naam

Die van de regen drinkt

Zo gaat het nog een tijdje door, in een herhaling die per regel aan kracht verliest, al is er verderop ook een bloem `met de explosieve naam' waarmee impliciet het klaproosje weer opduikt. Is Nuno Júdice een parfummerk? Een zangeres? Een grap voor juristen? Gaat het hier telkens om een andere bloem, naast het klaproosje het duivelskruid, de aronskelk, ik noem maar wat? Of om de bloem, of om `de naam' van `de bloem'? Om de filosofische consequenties van namen, om `de naam van de roos' zoals bij Umberto Eco?

Het heeft er veel van weg dat het in dit gedicht inderdaad niet om de dingen draait, om de geuren-zonder-meer. Het gaat om de naam, en gedachten over de naam – niet deze naam, maar het concept naam. Het is verholen wijsbegeerte. Hier onvouwt zich een wonderlijkbaarlijke paradox in Duinkers poëzie. Hij suggereert dat het om de dingen, om het concrete gaat. Losse gedichten (1990) begon met de poëticale regels: `Als jij me abstracties geeft,/ Geef ik jou een waaier van hout.' In het bestrijden van de abstracties en algemeenheden, in het verzet tegen metafysica en ideeën, blijft deze poëzie echter zelf abstract en algemeen. Wij krijgen helemaal geen waaier van hout voor ons geld.

Duinkers gedichten zijn ondanks de schijn van het tegendeel conceptuele, en vaak zelfs filosofische poëzie. Niet dat ze Kants transcendentale deductie van de zuivere verstandsbegrippen aan een gedegen analyse onderwerpen of Kripkes kritiek op contingente identiteit uit de doeken doen, maar ze houden zich meer dan de meeste andere poëzie bezig met vragen als wat poëzie (niet) is, wat identiteit is of hoe woorden en dingen, taal en wereld op elkaar betrokken zijn, als ze dat al zijn.

Je kunt in deze gedichten best wat Herman de Coninck ooit noemde `het feest van aangename zinloosheid' vermoeden, maar waar is dan dat feest? Ik ruik vaag geuren uit de bijkeuken, omschrijfbare geuren van Duinkers idioom, waarin vaak woorden voorkomen als: kade, schip, koningin, hond, weemoed, zon, maan, bloem, vogel, honger, man, vrouw. Ik hoor zwak de echo van poëzie van Drummond de Andrade en Pessoa (een aangename klank waar ik niks tegen heb). Alleen zijn de geuren en klanken conceptueel verdund in meta-poëzie.

De poëzie van Duinker lijkt in zijn opsommingen soms surrealistisch, maar waar de surrealisten de associaties direct uit het onderbewuste oplepelden zijn deze gedichten juist, zeer eigentijds, hyperbewust. Bijna elke regel van Duinker is poëticaal geladen. Voor poëzie is dat ongebruikelijk en in die zin zijn de gedichten uniek. Mij is het daarentegen liever wanneer de dichter de noeste reflectie even vergeet, en rondslentert als in `Vroege drukte', op weg naar `het kantoor/ Waar identiteit wordt/ Vastgesteld', om plaats te nemen `in een willekeurige rij/ Die bleek te zijn bedoeld voor wezens/ Met een gebrek aan souplesse.'

Arjen Duinker: De geschiedenis van een opsomming. Gedichten. Meulenhoff, 63 blz. ƒ20,-