De Grote Satan 3

In zijn reactie (CS 24/11) op de artikelen van Hofland en Kousbroek vraagt Grunberg zich af wat het verschil is tussen narigheid en talentloze narigheid. Wellicht kan ik hem behulpzaam zijn: toen ik een kennis onlangs vroeg waarom NRC Handelsblad toch zo regelmatig bladzijden laat vullen door Nederlands oudste puber, antwoordde hij: ,,Er zijn mensen die vinden dat hij talent heeft.'' Op grond van dit voorzichtige antwoord kunnen we dus het bestaan van narigheid met talent poneren.

En wat wil zulke narigheid? Ik vraag het me af.

Misschien méént Grunberg, toch niet zo goed vertrouwd met ironie als hij wil doen voorkomen, wat hij uitblaat en is hij oprecht kwaad op Kousbroek. Waarom? Kousbroek verzet zich er alleen maar tegen dat hem bergen rotzooi (van maatschappelijke, culturele en ideologische aard) worden opgedrongen en is zeer terecht verontwaardigd wanneer voornoemde pulp ook nog eens klakkeloos tot norm verheven wordt. Maar misschien wil Grunberg alleen maar provoceren. Daar gebruikt hij dan wel veel te grof geschut voor: Kousbroek in één adem noemen met Streicher en hem naar de Stammtisch verwijzen, daar wordt een betoog niet bepaald overtuigender door. Wel blijkt eruit wie er eigenlijk aan het woord is: iemand die, ondanks zijn kinderlijk gestrooi met namen, niet kan tippen aan de Bildung van mensen als Hofland en Kousbroek.

N.B.: het bovenstaande is niet geschreven door een `oude, verongelijkte man', maar door een tevreden vrouw van 28.

    • Bé Breij