De Grote Satan 11

Zelden schrijft Rudy Kousbroek iets waarmee ik het oneens ben, maar als hij het doet, gebeurt dat ook grondig. In zijn artikel `De Grote Satan' wordt veel inkt besteed aan het feit dat allerlei door Kousbroek niet gewenste ontwikkelingen uit Amerika komen, maar op de vraag hoe het komt dat die trends zo gretig worden overgenomen door andere landen, wordt niet ingegaan. Ik kan me nog herinneren hoe in de jaren vijftig in Nederland de verkiezingsstrijd in zijn werk ging: sommige mensen plakten een affiche voor hun raam met: `Stem lijst zoveel', er verschenen wat advertenties in dagbladen, lijsttrekkers hielden een praatje voor de radio, en dat was het dan.

Toen het televisietijdperk aanbrak, kon het Nederlandse publiek kennismaken met de Amerikaanse manier van campagne voeren, met de toeters en de bellen, de vlaggetjes en de ballonnen. Het werd met een zekere meewarigheid bekeken – oppervlakkig volk, die Amerikanen. Het duurde geen tien jaar, of die manier van campagne voeren was hier ook ingeburgerd, evenals de gewoonte om reclamebureaus in te schakelen. Oppervlakkig volk, die Nederlanders. Zat daar de CIA achter? Het Pentagon? Als die trivialiteiten geheel vrijwillig werden overgenomen door onze vaderlandse politici, dan is het onbillijk en een beetje Khomeiny-achtig om de schuld geheel en al bij de grote Satan te leggen.

Kousbroek geeft een lange lijst van Amerikaanse gebreken, maar een dergelijke lijst zou voor ieder land te maken zijn – voor Frankrijk, bijvoorbeeld. Dat de vrouw van Reagan in astrologie geloofde – Reagan zelf hield zich wat dat betreft op de vlakte – heeft hij al vaker vermeld, maar dat Mitterrand niet alleen een astrologe consulteerde, maar ook een Bretonse druïde en een Afrikaanse wonderdokter, daar hoor je hem niet over.

Helemaal bont maakt hij het in de volgende passage: ,,Het land waar de dageraad van deze nieuwe cultuur het eerst gloorde is zonder enige twijfel Amerika; het is een exportartikel en dat is waarom ik aan dat `Amerikaanse heden' geen boodschap heb.'' Kortom, het deugt niet, omdat het uitheems is. Met deze uitspraak komt Kousbroek dichter in de buurt van de Iraanse primitieveling dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.