Buzz op het Zweedse platteland

Er is vaak beweerd dat kunstenaars in hun laatste werken de traditionele wetten van samenhang en orde loslaten en een grillig, roekeloos universum scheppen. Dat geldt voor de laatste composities van Beethoven, zijn strijkkwartetten, en dat geldt voor de laatste doeken van Cézanne. In sterke mate is deze kenschets ook van toepassing op de laatste, poëtische roman van de Zweedse auteur Göran Tunström, in het Nederlands Hoog bezoek geheten. De originele Zweedse titel is echter anders, namelijk Berömda män som varit i Sunne dat, letterlijk vertaald, betekent: Beroemde mannen die in Sunne zijn geweest.

Het boek gaat, inderdaad, over het hoge bezoek dat een beroemde man brengt aan het idyllische stadje Sunne in Midden-Zweden, in de streek Värmland. De plaatsaanduiding is opmerkelijk en ook symbolisch. In Sunne had de veelgelezen schrijfster Selma Lägerlof haar buitenhuis. Zij was dus de `beroemdste vrouw' van het dorp. Dat moet de reden zijn dat een beroemde astronaut, geinspireerd op de werkelijk bestaande maanreiziger Edwin `Buzz' Aldrin, juist deze plek op aarde uitkiest om zijn rentree in de mensenwereld te maken. Het is augustus 1969. De astronaut, volkomen dronken en niet in staat zijn bezoek aan de maan op 21 juli van dat jaar ooit te vergeten, komt als een ongeleid projectiel het kalme dorpje binnen. Tunström speelt hiermee prachtig met het indringer-motief: een vreemdeling zet een aanvankelijk vredige wereld op zijn kop.

Dat de indringer een astronaut is, geeft aan Tunström de kans om naar hartelust te goochelen met dichterlijke associaties als het heelal, het sterrenstelsel en het beeld dat `goud afkomstig is van het stof van vallende sterren'. Hoog bezoek is een onvergelijkbaar boek. Motieven uit eerder werk keren terug, zoals het beeld van de engel uit de verhalenbundel Het ware leven en de beschrijving van de verhoudingen binnen een kleine woongemeenschap, zoals in Huis van Muziek. Het onvergelijkbare schuilt in het volstrekt tijdloze van de roman. Afgezien van de astronaut verwijst niets in het boek naar enige actualiteit. Tunström werkte er zo'n elf jaar aan, getuige de exacte datering achterin: `Koster, 17 september 1987 – New York, 6 april 1998. Twee jaar na voltooiing, in februari 2000, overleed de schrijver aan kanker. Koster is een kustplaats in het uiterste oosten van Denemarken. De dodelijke ziekte komt een enkele keer in het boek voor. Een van de drie hoofdpersonen, de kruidenier Stellan, beschrijft zijn bezoek aan het ziekenhuis waar hij hoort dat hij `inoperabel' is. Het is een passage die in al zijn koelheid aangrijpend is. Tunström geeft Stellans schok weer in een prachtige metafoor: `Het lichaam heeft helemaal geen gedachten of zoiets nodig;zomaar vanzelf kromp het op de bodem van het leven ineen. Als een trillende rat in een doodlopend steegje. Het was een duister oord. Niets bewoog.'

Het wonderlijke van deze roman is dat ongeveer halverwege de verteltrant omslaat in een beschouwelijke stijl van schrijven. Het is of er twee schrijvers aan het woord zijn: een die vooral uitbeeldt, een ander die hoofdzakelijk gedachten ontvouwt over tijd, vergankelijkheid, leven, liefde. Dat klopt ook met de twee belangrijkste personen die aantreden: de middenstander Stellan die zijn kleine vertrouwde winkel ziet opgevreten door een allesverterend monster, de zogenaamde `Keten'. De ander is de dominee van Sunne, Cederblom. Hij zorgt vooral voor de geestelijke stoffering en de religieuze achtergrond van de roman. Ook in typografisch opzicht is die wijziging te volgen. Het boek zet breed in, als een epos, met duidelijke beschrijvingen van situatie en handeling. Daarna worden de hoofdstukken korter en zijn ze fragmentarischer opgebouwd. Er wordt geciteerd uit de wereldliteratuur, vooral gedichten over de vergankelijkheid. Tunström gebruikt het dagboek van dominee Cederblom, om zijn persoonlijke overwegingen over dood, liefde, vaderschap en seksualiteit weer te geven. In dit dagboek staan levensbeschouwelijke passages die getuigen van een groot inzicht, en die ook van een troostrijke kracht zijn. Over het vaderschap schrijft hij in een weemoedige dagboekbladzijde: `18 augustus 1968 Een dochter hebben is herinnerd worden aan de kortheid van het leven, want dochters zijn dochters tot ze vrouwen worden en zich bewust worden, eerst van zichzelf, daarna van iemand anders, die niet hun vader is. Wij hebben hen dus slechts te leen totdat ze zich van ons afwenden omdat ze aan het einder eind van het park, de straat, het bos, de kamer, de contouren bespeuren van die ander, die niet hun vader is.'

Een boek als Hoog bezoek navertellen is ternauwernood mogelijk. Tunström maakt snelle wendingen, switcht van het ene personage naar het andere. Zo komen we pas aan het slot te weten wat de astronaut ertoe dreef het luchtruim van Sunne binnen te vliegen. `Waarom doodt men wat men liefheeft?' vraagt kruidenier Stellan zich af, de eigenlijke verteller van de hele roman. Het is een vraag die open blijft, hoogstens kan hij smeken om genade. Wat op de laatste bladzijde ook gebeurt. De lezer blijft achter met de herinnering aan een stadje gelegen in de verlatenheid van Zweden, waar mensen rondlopen met gedachten zo rijk en verstrekkend, als je ze zelden in een roman aantreft.

Hoog bezoek heeft dan ook het meest van een levensleer, een zoektocht naar de waarheid achter de gebeurtenissen in iemands leven, zoals op die intens geschreven bladzijde (137) over echtscheiding: `en ik dacht aan de stukgelopen huwelijken van vrienden en aan alle energie die hun nieuwe en oude relaties van hen stalen, aan hun nachtenlange vermoeiende bekentenissen, aan vergissingen die hen hadden geschokt, aan misstappen die verwoestingen hadden aangericht, aan berouw, angst en nederlagen. Ik dacht aan de kinderen die in zichzelf waren weggekropen, die geweigerd hadden verder te groeien, die de schuld op zich hadden genomen en hadden gedragen tot hun schouders er krom van waren geworden.'

Hier komen we, uiteindelijk, terecht bij het Zweden van de heftige gemoedsbewegingen, zoals we dat kennen uit de toneelstukken van Strindberg en Lars Norén en de films van Bergman.

De kracht van Tunström is dat hij, ondanks alle diepte en emotionaliteit, een lichte, soms ironische stijl van schrijven heeft.

Göran Tunström: Hoog bezoek. Roman. Uit het Zweeds vertaald door Bertie van der Meij.

De Bezige Bij, 288 blz. ƒ39,90