TROU MOET BLYCKEN

De gecondenseerde dichtgeest

Wie fabelt nog van fantasie? Tien flessen

Gecondenseerde dichtgeest heb 'k gekocht;

En 'k lach met hen, wie het nog lusten mocht

Om aan de Hippokreen hun dorst te lessen.

Met één slok is mijn Pegasus van zessen

Reeds klaar en, waar gij ook ter wereld zocht,

Gij vondt geen schoner, grootser dichtgewrocht

Zelfs bij Homerussen en Sophoklessen.

Eén slok, één enkle en reeds voel ik 't werken;

Dan zweeft mijn dichterwoord op aadlaarsvlerken

De wereld rond, want in de telefoon

Spreek ik mijn zangen uit en over d'aarde

Trilt dan langs duizend draden 't lied zo schoon,

Dat mij gecondenseerde dichtgeest baarde.

P.A.M. Boele van Hensbroek (1853-1912)

Als het weer Sinterklaas wordt, gaat iedereen weer dichten. Sinterklaasdichter, zou er een Nederlandser woord bestaan? Geen woord wordt met zo'n vies gezicht uitgesproken, het is zowat de verachtelijkste typering die je naar je hoofd geslingerd kunt krijgen, boerenlul en soepjurk kunnen er niet aan tippen, en toch zal er geen Nederlander zijn die nooit een sinterklaasgedicht heeft geschreven. Zegt dat iets over onze relatie tot dichters of alleen maar over onze relatie tot Sinterklaas?

Het is een tijdelijke bevlieging, een eendagsbevlieging, net als dat van het fenomeen zondagsdichter. Die laatste wordt geacht alleen op zondag te dichten. Het verschil met de sinterklaasdichter is evenwel dat de zondagsdichter alle dagen dicht.

De sinterklaasdichter is zich ervan bewust geen dichter te zijn. Hij neemt een loopje met de poëtische conventies en legt een duidelijke voorkeur aan de dag voor het kreupelrijm. Hij profileert zich als de eenmalige gelegenheidsdichter die hij is.

De zondagsdichter, daarentegen, probeert in alle opzichten het ware dichterschap te imiteren. Hij voelt zich driedubbel dichter. Hij grossiert in traditionele dichterlijkheden en wil duidelijk laten merken dat hij weet hoe het hoort. Hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om anderen zijn producten op te dringen.

Ook thematisch en inhoudelijk zijn er grote verschillen. De sinterklaasdichter beperkt zich tot het kritisch betuttelen van degene die het cadeau ontvangt. Het moet scherp en toch ook weer niet pijnlijk zijn. Het slachtoffer moet er zelf om kunnen lachen. De zondagsdichter beschouwt de hele kosmos als zijn werkterrein, met inbegrip van de onstoffelijke. Geen onderwerp is hem te min. Hij heeft er geen flauw benul van of het interesseert hem niet dat er ook lezers bestaan die wel eens willen lachen.

Om kort te gaan, voor een sinterklaasdichter is het vertoon van eigen kunnen niet zo belangrijk, voor een zondagsdichter is het alles.

Eén eigenschap hebben de twee gemeen: ze zijn nooit onder de indruk van echte dichters. Het lezen van een goed gedicht brengt ze geen ogenblik op de gedachte er het bijltje maar bij neer te gooien. Het moet, evenwel, tot de mogelijkheden worden gerekend dat een sinterklaasdichter iemand een dichtbundel cadeau doet, ter begeleiding van zijn versje. Daarom geef ik aan sinterklaasdichters de voorkeur.

Sint moest eens heel nodig pissen

Tussen Delft en tussen Lisse

maar hij moest het laten gaan

Hij had ook zoveel kleren aan

ik ben geneigd dit onmiddellijk tot grote poëzie te rekenen.

Toch moeten we mild zijn voor zondagsdichters. Er zijn erger zonden dan het schrijven van een slecht gedicht. Een slecht gedicht schiet, steekt of wurgt niet. Er is een nis voor de fluitende bakkersjongens en er is een nis voor de Paganini's.

De echte dichters zijn misschien wel een beetje jaloers. Zondagsdichters lijken immers met het grootste gemak te dichten. Van werk en zweet hebben ze nooit gehoord. Noem een onderwerp liefst iets in de buurt van hemel, verdriet, geknakte liefde of hun wonderwoorden rollen er uit.

In De gecondenseerde dichtgeest geeft de negentiende-eeuwer Boele van Hensbroek gestalte aan de ultieme droom van de zondagsdichter. Zo'n dichter hoeft niet langer naar de Hippokreen, de muzenbron, om inspiratie op te doen. Dankzij een wondermiddeltje slaat zijn dichterpaard onmiddellijk op hol.

De dichter die hier het woord voert is synoniem met Sinterklaas. Hij deelt gedichten uit. Maar niet nadat hij zelf eerst iets in zijn schoen heeft gevonden: tien flessen poëzie-extract. Het kan als altijd bij zondagsdichters nooit mooi genoeg zijn. In zijn enthousiasme doet de gulle dichter er een tweede schepje bovenop. Hij combineert de ingedikte dichtersgeest (Liebig, Oxo, Bovril) met een andere recente uitvinding van zijn tijd, de telefoon.

Het hoort allemaal vanzelf te gaan, luidt de diepste overtuiging van de zondagsdichter. Als je al bijzonder bent, waarom zou je ook nog eens je best doen? Vooral dient de hele wereld als de bliksem deelgenoot van je poëtisch talent te worden gemaakt. Op luide toon en terwijl de inkt nog nat is.

Op internet zijn de zondagsdichters niet te tellen.