Splijtzwam internet

INTERNET IS NIET alleen de belichaming van de `global village' – een virtuele wereld zonder grenzen – maar het is ook een splijtzwam tussen de Verenigde Staten en Europa. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy) was een vroeg voorbeeld. Daar botste de Amerikaanse opvatting dat privacy per specifiek toepassingsgebied (banken, medische gegevens, etc.) moet worden geregeld met de Europese omnibus-benadering die het zoekt in algemene, overkoepelende nationale privacywetten. Deze is nu ook bekroond door een omnibus-richtlijn van de Europese Unie. De Amerikanen zagen daarin voornamelijk een slim soort handelsbarrière.

Net nu deze kwestie geregeld lijkt, dient zich een potentieel omvangrijker conflict aan: de aansprakelijkheid van providers, de intermediairs tussen het snel groeiend aantal `internauten', en het wereldwijde web. Het openingsschot werd twee jaar geleden afgevuurd in München toen een ex-directeur van de Duitse vestiging van het Amerikaanse bedrijf CompuServe werd veroordeeld omdat hij materiaal dat volgens de Duitse wet schadelijk is voor jeugdigen, niet had geblokkeeerd. Nu is het de beurt aan het eveneens Amerikaanse bedrijf Yahoo!. De president van de rechtbank in Parijs heeft Yahoo! gelast de toegang van Franse abonnees tot Amerikaanse veilingen van nazi-materiaal te blokkeren.

Nazi-parafernalia zijn in Frankrijk verboden, maar in de VS niet. En hier begint het probleem. Het bevel van de Franse rechter staat namelijk haaks op een befaamde uitspraak van het Amerikaanse federale Hooggerechtshof uit juni 1998 over de Computer Decency Act (CDA). De uitspraak kwam erop neer dat providers die zich beperken tot het verschaffen van toegang tot internet (te onderscheiden van providers die zelf bemoeienis hebben met de inhoud van de communicatie), niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het gebruik dat hun klanten daarvan maken. Dit is een uitvloeisel van de Amerikaanse grondwetsbepaling over de informatievrijheid.

In de Franse juridische vakpers is betoogd dat Europa geen boodschap heeft aan zo'n ,,vreemd'', want Amerikaans, grondrechtbeginsel. Dat is opmerkelijk van uitgerekend het land dat historisch gezien met zijn `Verklaring over de rechten van de mens en de burger' een voorbeeld was voor de Amerikaanse Bill of Rights.

In het privacyconflict is, overigens pas na langdurig touwtrekken, een oplossing gevonden in de vorm van het beginsel van de ,,veilige haven''. Amerikaanse bedrijven krijgen in de transatlantische uitwisseling van persoonsgegevens geen last met de Europese Unie als zij uit eigen beweging de voornaamste privacybeginselen hanteren. Bij de provider-aansprakelijkheid ligt het moeilijker, want internet heeft zich slechts kunnen ontwikkelen ,,los van overwegingen gebaseerd op de inhoud'', zoals een Amerikaanse rechter in de CDA-zaak opmerkte. Het Hooggerechtshof legde in zijn uitspraak ook de nadruk op dit ,,unieke karakter'' van het wereldwijde web.

DIT NEEMT niet weg dat er tegenwoordig allerlei elektronische filters voorhanden zijn om de toegang tot bepaald materiaal te blokkeren. De Amerikaanse opvatting is echter dat dit een zaak is voor de individuele gebruiker en niet voor de provider. Geheel onschuldig zijn deze filters namelijk niet. In de Yahoo!-zaak werd gewaarschuwd dat de toepassing van filters ook sites bedreigt die het verwerpelijke ,,revisionisme'' (ontkennen van de holocaust) juist bestrijden.

De Franse rechter heeft de opdracht aan Yahoo! toegespitst op filteren naar geografische herkomst van de internetgebruikers. Dat is technisch gezien slechts in 70 procent van de gevallen mogelijk. Maar goed, iets is beter dan niets. En het valt een Franse rechter moeilijk kwalijk te nemen wanneer hij de Franse wet wil handhaven, zeker als het gaat om neonazi-veilingen. Dit recept is echter minder onschuldig wanneer het wordt toegepast in Singapore of China.

Ook in een ander opzicht stemmen de mogelijke consequenties van de beslissing van de Parijse rechtbankpresident tot bezinning. In het verlengde van de gevraagde controle ligt namelijk de plicht van de provider om zich te vergewissen van de identiteit van zijn klanten. Vorig jaar verklaarde het Hof van beroep in Parijs al dat een ,,hébergeur'' dient op te draaien voor de juridische risico's van het toelaten van anonieme sites.

OOK IN NEDERLAND gaan stemmen op om het gebruik van de elektronische snelweg zowel voor de aanbieder als afnemer te binden aan een `rijbewijs' op naam. Met alle ,,verkillende werking'' van dien, zoals dat in de Verenigde Staten treffend wordt genoemd. In dit land geldt het recht op anonimiteit historisch gezien juist als onderdeel van de grondwettelijk gewaarborgde informatievrijheid. In een wat dichterbij liggend verleden is dit land ook de uitvinder van internet.