Meer armoede middelgrote gemeenten

De armoede in Nederland concentreert zich steeds meer in wijken van grote en middelgrote steden. Huishoudens met een laag inkomen wonen meer in elkaars nabijheid dan in 1994. Wel is het percentage lage inkomens tusen 1994 en 1998 gedaald.

Dat concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in de vandaag gepubliceerde Armoedemonitor 2000. Volgens het SCP is verder in met name Rotterdam, Amsterdam en Groningen de groep lage inkomens nog omvangrijk.

In deze steden moet één op vier huishoudens rondkomen van een laag inkomen (voor alleenstaanden in 1998 1658 gulden netto per maand). In Den Haag, Enschede, Almelo, Leeuwarden, Nijmegen, Arnhem en een aantal kleine gemeenten in het noorden gaat het om één op de vijf.

De toegenomen concentratie is volgens het SCP te verklaren doordat mensen die inkomensverbetering doormaken naar een betere buurt trekken. De Schildersbuurt-Noord in Den Haag is de topper wat armoede betreft.

Van de inwoners moet 50,4 procent rondkomen van een laag inkomen, dit is in vier jaar tijd met 1,2 procent toegenomen. Daarna volgen Spangen in Rotterdam (42,7 procent), de Schildersbuurt-West (41,3), Tussendijken in Rotterdam (41,0) en Molenwijk in Den Haag (40,9).

Van de middelgrote steden zijn Lekkumerend-Oost in Leeuwarden (39,4 procent) en De Hoogte in Groningen (38,6) de toppers.

Het totaal aantal mensen met een laag inkomen is volgens het Planbureau gedaald. In 1996 had 15,6 procent van alle huishoudens in Nederland een laag inkomen. In 1998 was dit percentage afgenomen tot 14,3 en gedurende dit jaar verwacht het SCP een verdere daling tot 13,6 procent.

De conclusie van het Sociaal en Cultureel Planbureau komt overeen met het zogenomede rapport `Balans van het armoedebeleid' dat ruim een maand geleden is uitgebracht.