Grillig concert van James Levine

München, de conventioneelste aller Duitse steden, zoekt voor de Münchner Philharmoniker steeds de onconventioneelste dirigenten. De Roemeen Sergiu Celibidache regeerde er van 1979 tot zijn dood in 1996 met excentrieke opvattingen. Met uitsluitend de Vierde symfonie van Bruckner, opgerekt van 60 tot 84 minuten, vulden de cerebrale Celibidache en zijn Münchners in 1994 een heel Amsterdamse concert — hèt curiosium van de laatste decade.

Nu musiceren de Münchners onder de joviale James Levine, sinds mensenheugenis de wereldberoemde dirigent van de Metropolitan Opera in New York. In Bayreuth schreef de Amerikaan met succes het wereldrecord langzaam-Wagnerspelen op zijn naam, maar op symfonisch gebied is hij een man van veel geringere internationale statuur. Levine repeteert veel, want zijn nogal dwarse opvattingen speelt zelfs een geverseerd en competent orkest niet vanzelf.

Ook Levines orkestopstelling is opmerkelijk en streng symmetrisch: vooraan links en rechts de eerste en tweede violen, in het midden de celli, terwijl plukjes bassen het orkest aan beide zijden flankeren. Dat leidt tot een nogal saai soort mono-geluid: een egale golf geluid stroomt over de hele breedte de zaal in.

Voorafgaand aan zijn Nederlandse debuutconcert, gisteravond in het Amsterdamse Concertgebouw, werd niet alleen de akoestiek van de zaal verkend, maar studeerde Levine, met een zeegroene bandhandoek als sjerp over zijn oversized t-shirt, ook nog her en der tüchtig op stokvoering en frasering.

Het resultaat was een even merkwaardig als grillig concert met te veel muziek, zodat de aangekondigde eindtijd met veertig minuten werd overschreden en velen voortijdig de zaal verlieten omdat hun parkeermeters afliepen. Het programma was omgegooid, maar met Brahms' Tragische Ouvertüre en Derde symfonie, Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta en Strauss' Till Eulenspiegels lustige Streiche is geen enkele bevredigende volgorde mogelijk.

Toch was het goed dat de Brahms-stukken uiteindelijk werden afgewisseld met Bartók en Strauss, want twee Brahmsen achter elkaar op de Levine-manier lijkt onverdragelijk. De Tragische Ouvertüre kreeg de zwaar aangezette monumentaliteit van een mini-Brahmssymfonie in tien of twaalf sterk contrasterende delen. En de Derde symfonie kreeg een uitvoering die zo eigenzinnig en opgeschroefd anders was in frasering, accenten, tempokeuze en dynamiek dat de conventionele vloeiende en lyrische Brahms in deze duw-en trek-dramatiek niet meer herkenbaar was. Als je ten onrechte van een aangename Brahms een serieus probleem wilt maken, dan doe je dat ongeveer zó.

Levines hoogstpersoonlijke opvattingen over Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta zijn veel bijzonderder en interessanter, als men die ziet als de preoccupaties van een operadirigent op basis van Bartóks opera Blauwbaards burcht — het leek daarvoor met zijn horror-uitstraling wel een orkestraal alternatief. De fascinerende uitvoering had een buitengewoon beeldende en dreigend-dramatische sfeer met de eerste celesta-noten als een magisch moment, enge ijle hallucinerende pianissimo-passages en een onverbiddellijk agitato.

Maar al is München een Strauss-stad, Till Eulenspiegels lustige Streiche leek in Levines opgeklopte en extreem verdichte versie nauwelijks nog op Strauss, terwijl ook het verhalende karakter van deze schelmenmuziek sneuvelde. Na deze lange uitsmijter was er nog een toegift: een Hongaarse dans van Brahms, eindelijk lekkere Brahms.

Concert: Münchner Philharmoniker o.l.v. James Levine. Gehoord: 29/11 Concertgebouw Amsterdam.