Bach in een mistige sfeer

De man met het slepende been kijkt het publiek aan en zegt: `Mijn naam is Ernst Brachvogel. Gaat u mee?' Hmm, liever niet. Het slepende been is nog tot daar aan toe en die bochel, daar kan hij ook weinig aan doen. Maar zoals die kerel praat, da's om koud van te worden. De letter S, van Ernssst, spreekt hij uit alsof hij een mes tussen je ribben stoot. De G klinkt vol verachting.

Baggg. Johann Sebastian Baggg.

Brachvogel is zijn stadsgenoot. Hij woont vlakbij de Thomaskirche in Leipzig, waar Bach in 1730 de Matthäus-Passion instudeerde. De dubieuze gids die wij tegen wil en dank volgen vertelt zijn verhaal in 1898. Maar komt hij langs de Thomaskirche, dan hoort hij nog steeds Bachs orgel. Ook wij horen Bachs orgel. Alleen zijn de klanken even misvormd als Ernst Brachvogel zelf.

Een lelijke geest in een afzichtelijk lichaam: het is een oud concept. Schrijver Hubert Fermin keek het af van zowel de middeleeuwse dichtkunst als van de gothic novel. Zijn toneelstuk De botten van Bach heeft onmiskenbaar een gothisch sfeertje: griezelig, mistig, onguur. De eerste auto's rijden al door de straten, maar temidden van de razende vooruitgang loert overal het verval. Fermin werkt graag met zulke tegenstellingen. Het lelijke staat bij hem tegenover het mooie, de dag tegenover de nacht.

Toch is stuk noch voorstelling simplistisch. Want de hoofdpersoon, scherp gespeeld door Herman Naber, lijdt aan die tegenstellingen, aan die door hemzelf gecultiveerde ondraaglijke disharmonie. Zijn haat is, zoals wel vaker, verkapte liefde. Verkapt verlangen in elk geval. Dus als hij weer eens een spottende opmerking maakt over het menselijk streven naar volmaaktheid, dan hoor je aan het gesnerp van zijn stem dat het onderwerp hem niet onberoerd laat. En als hij in Auerbachs Keller, het drankhol uit Goethes Faust, zich à la Mefisto aan de duisternis overgeeft, dan heeft hij visioenen van licht. Dan beklimt hij, in de volgende scène van zijn vertelling, een ijselijk hoge toren.

Waar hij aan een vreemdeling de botten van Bach moet laten zien. Waar hij voor het eerst van zijn leven weent. Drie jonge meisjes, in bloedrode wolkachtige jurken, zingen Bachs passie-aria Erbarme dich en bereiken door het erbarmelijke heen hemelse sferen. Eindelijk klinkt de muziek niet vervormd.

Zijn de meisjes Bachs dochters? Drie van zijn vele jonggestorven kinderen? Voorafgaand aan de voorstelling kun je de tentoonstelling Bach Schatten bezoeken. In het Haagse Gemeentemuseum en heel informatief. Met klavecimbels die je zelf mag bespelen en met portretten van musicerende families waarin het kroost op de bloedrode meisjes lijkt. Maar de voorstelling, uitgebracht door Toneelgroep De Appel en ook in het museum gespeeld, overtreft de expositie. Want de regisseuse en Appel-actrice Saskia Mees zette de spelers in een prachtig decor gemaakt van stapels boeken. En, nog belangrijker, ze voert Fermins uit talloze leidmotiefjes bestaande tekst langzaam maar zeker naar een climax toe. Ze heeft wat geleerd van Bach.

Voorstelling: De botten van Bach, van Hubert Fermin, door Toneelgroep De Appel/Gemeentemuseum Den Haag. Regie: Saskia Mees; objecten: Aidan Radier; klankdecor: Carl Beukman; spel: Herman Naber. Gezien: 30/11 Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Daar t/m 23/12; Inl. (070) 350 22 00.

De tentoonstelling `Bach Schatten' is nog te zien t/m 18 februari. Inf. (070) 338 11 11.