Arm en rijk, vroeger en nu

Dat er arme en rijke landen zijn weten wij allemaal. De verschillen in welvaart in de wereld zijn immens. Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking in Zwitserland is vierhonderd keer dat van Mozambique. Dat die verschillen niet altijd zo groot zijn geweest, weten wij ook. In de achttiende eeuw was Zwitserland een achterlijk ontwikkelingsland. Het was zelfs zo arm dat zijn voornaamste exportartikel bestond uit huursoldaten. De Vaticaanse garde en de uitdrukking `geen geld geen Zwitsers' herinneren nog hieraan.

Dat oorspronkelijk de welvaartsverschillen in de wereld niet groot kunnen zijn geweest, is evident. Als de economie voornamelijk draait om voedselproductie en handenarbeid, dan kunnen de verschillen in welvaart niet erg aanzienlijk zijn. Dat spreekt vanzelf. Historisch onderzoek heeft dit trouwens bevestigd. Aan het begin van de moderne tijd, laten wij zeggen in de zestiende eeuw, waren de rijke en hoger ontwikkelde delen van de wereld één à anderhalf keer zo rijk als de arme. Dat zijn verwaarloosbare verschillen vergeleken bij die van nu. Bovendien was het niet zo dat wat wij nu het Westen noemen, West-Europa en Noord-Amerika dus, toen het rijkste deel van de wereld was. De hoogst ontwikkelde gebieden lagen in China en Zuid-Amerika. Mali, thans één van de armste landen, gold toen wegens zijn goudschatten als een van de rijkste landen ter wereld. Die reputatie ging terug tot de veertiende eeuw. Een Arabische reiziger uit die tijd had het hof van de koning van Mali bezocht en was verbluft door de rijkdom ervan.

De welvaartsverschillen in de wereld zijn dus historisch gegroeid en dat is voornamelijk gebeurd in het recente verleden. Wanneer dit proces precies is begonnen, is een punt van discussie. Sommige historici laten de opkomst van het Westen beginnen met de industriële revolutie in Engeland in de achttiende eeuw. Anderen plaatsen de oorsprong van het moderne wereldsysteem en de Westerse hegemonie in de late Middeleeuwen. Over de oorzaken van dit grote wereldhistorische proces, dat leidde tot de verdeling van de wereld in een dominerend, rijk, hoog ontwikkeld Westen en een ondergeschikt, overheerst, minder ontwikkeld, arm Zuiden wordt eveneens verschillend gedacht. Zoals zo vaak, is het belangrijkste verschil in inzicht terug te voeren tot de kwestie `nature' of `nurture'.

De natuurlijke verschillen trokken vroeger veel aandacht. Klimatologische theorieën over de opkomst en bloei van beschavingen en het natuurlijke voordeel dat de volkeren in de gematigde zones in dit opzicht hebben, waren in het begin van de twintigste eeuw zeer populair. Ellsworth Huntington bijvoorbeeld – niet te verwarren met Samuel Huntington, de auteur van The clash of civilizations – kende in zijn boek Civilization and climate uit 1915 een grote betekenis toe aan het klimaat. In de tropen leven de mensen voornamelijk buiten, zo observeerde hij, en dat leidt tot een verlaging van de morele standaarden, vooral op seksueel gebied. De blanken die naar de tropen gaan, vallen hieraan ten offer, maar nog veel erger is het gesteld met de `native races'. De belangrijkste reden waarom deze zo achterlijk zijn, is `that their thought and energy are largely swallowed up in matters of sex'. Zij komen hierdoor niet toe aan nuttige dingen, zoals werken en plannen maken voor een beter bestaan.

Een heel andere verklaring, maar ook een die vooral gericht is op de rol van natuurlijke factoren, vinden wij in een recent boek van de veelzijdige geleerde Jared Diamond. In Guns, germs and steel heeft hij de nadruk gelegd op de fysieke factoren die de expansie en, tot op zekere hoogte, de wereldheerschappij van Europa hebben mogelijk gemaakt. In Eurazië bestond een aantal gunstige omstandigheden die de voedselproductie bevorderden en daardoor arbeidsverdeling mogelijk maakten. Eurazië is een groot gebied, dat zich uitstrekt langs een oost-west as en daarom over het geheel genomen een vergelijkbaar klimaat heeft, waardoor landbouw en veeteelt zich over het hele gebied konden verspreiden. Afrika en Amerika daarentegen liggen aan een noord-zuid as met in het midden tropische gebieden, waar de landbouw en veeteelt uit de gematigde zones zich niet konden ontwikkelen.

Bij de Europese expansie naar Amerika brachten de veroveraars verschillende ziektekiemen met zich mee waarvoor zij zelf inmiddels min of meer immuun waren geworden, maar die onder de volken van Amerika en later ook die van Australië en Nieuw Zeeland grote verwoestingen aanrichtten. Deze ziekten leidden tot een hoge mortaliteit onder de oorspronkelijke bewoners, waardoor de Europeanen als het ware vrij spel kregen. Diamond noemt overigens ook wel culturele factoren (godsdienst, mentaliteit, techniek) die de Spaanse expansie in Amerika mogelijk hebben gemaakt.

In het korte tijd later verschenen boek van David Landes, The wealth and poverty of nations, liggen de accenten precies andersom. Landes besteedt ook wel enige aandacht aan natuurlijke factoren. Hitte is erger dan kou, schrijft hij bijvoorbeeld, want je kunt je daar moeilijker tegen wapenen. In tropische gebieden komen veel ziekten voor en het klimaat nodigt niet uit tot hard werken. Zo zijn er meer factoren die ongunstig zijn voor de vooruitgang. Maar het punt waar het volgens Landes uiteindelijk allemaal om gaat, is de manier waarop de mensen op deze geografische omstandigheden reageren. Vandaar zijn uitspraak: `Culture makes all the difference', die als de korte samenvatting van dit uitvoerige boek kan worden beschouwd.

Beide boeken hebben veel aandacht getrokken, Landes meer dan Diamond. Landes' boek is een krachtige verdediging van de Europese c.q. Westerse cultuur en haar waardenstelsel. Nieuwsgierigheid, weetgierigheid, concurrentie, onderzoek, ijver, initiatief, ondernemingszin, daar gaat het om. In Nederland, althans in de Nederlandse Republiek van de zeventiende eeuw, bestonden volgens Landes al deze mooie dingen. Aan dat onderwerp is dan ook een liefdevol hoofdstuk gewijd.

Landes is een historicus. Hij wil verklaren wanneer, waardoor en hoe de voorsprong van Europa is ontstaan. Een heel andere – maar niet minder belangrijke! – vraag is natuurlijk hoe lang die Westerse superioriteit nog zal voortduren. Een Amerikaanse auteur, Eamonn Fingleton, voorspelde in 1995 dat Japan in 2000 de Verenigde Staten zou zijn voorbijgestreefd. Dat is niet gebeurd. Maar wat niet is, kan komen. Ondernemingslust is geen monopolie van het Westen, al komt het daar misschien meer voor dan in de tropen.