Het Rijksmuseum verdient het best mogelijke plan

Een meervoudige opdracht voor de hoognodige renovatie van het Rijksmuseum is een goed idee. Maar de ingrijpende voorstellen van de aan de kant gezette architect Hans Ruijssenaars mogen niet buiten beeld raken, vindt Tjeerd Dijkstra.

Onlangs zijn in de pers verontrustende berichten verschenen over de gang van zaken bij de voorbereiding van de plannen voor de renovatie van het Rijksmuseum. Architect Hans Ruijssenaars, wiens ingrijpende voorstellen voor een grootscheepse reconstructie van het Cuypersconcept met instemming waren ontvangen, blijkt door de nieuwe directeur aan de kant te zijn gezet. Er worden een zevental andere architecten uitgenodigd, onder wie vier buitenlanders, om in competitie alternatieve plannen te ontwikkelen waaruit dan een keuze zal worden gemaakt.

Als reden voor het bedanken van Ruijssenaars werd aangegeven dat de nieuwe directeur niet met hem overweg kan – een moeilijk te bevatten argument, want Ruijssenaars is een weliswaar vasthoudend, maar buitengewoon aimabel mens en een uitstekend vakman. Hoe dat ook zij, deze procedure roept vragen op, niet alleen met betrekking tot het omgaan met persoonlijke verhoudingen in een opdrachtsituatie als deze, maar vooral ook van cultuurpolitieke aard. Het Rijksmuseum is immers niet alleen een cultureel instituut van nationale betekenis maar het is ook een monument van bouwkunst van de hoogste orde.

Wat is de voorgeschiedenis? In de jaren vijftig en zestig kampte het Rijksmuseum met een groot ruimtegebrek. Om in meer vloeroppervlak te voorzien werden de beide binnenplaatsen ter weerszijden van de onderdoorgang dichtgebouwd en ingericht als expositieruimte. Dat daarmee geweld werd aangedaan aan de karakteristieke ruimtelijke structuur en de lichtinval van het bestaande gebouw werd blijkbaar niet gezien als een groot bezwaar. Wat slechts telde, was het voldoen aan de kwantitieve ruimtebehoefte voor het exposeren van het eigen bezit, een benadering die ook wel paste in de geest van die tijd, die doordrongen was van een ongenuanceerd geloof in vooruitgang en moderniteit. Het was de geest van doorbraken in bestaande steden en sloop van wat nieuwe ontwikkelingen in de weg stond, zonder veel oog voor de kwaliteiten van het bestaande, dat vaak alleen maar als hinderlijk en ouderwets werd gezien.

Bij het Rijksmuseum had het volbouwen van de binnenplaatsen rampzalige gevolgen. Er werd wel ruimte gewonnen maar dat ging ten koste van de heldere structuur van het gebouw en van de daglichttoetreding in de bestaande vleugels, met als gevolg dat een doolhof onstond van zalen zonder ruimtelijke hiërarchie en zonder oriëntatiemogelijkheden. Sindsdien is het Rijksmuseum een somber gebouw zonder duidelijke ingang, waar de museummoeheid al snel toeslaat omdat er geen andere ervaringen aan de bezoeker worden aangeboden dan slechts dat wat tentoongesteld wordt.

Dat het heel anders kan bewijzen een groot aantal gerenoveerde musea in het buitenland, waar ruimtelijkheid, lichtval en daarmee oriëntatiemogelijkheid veel aandacht hebben gekregen, zoals onder meer het Louvre en het Musée d'Orsay in Parijs en recentelijk de Tate Modern in Londen, maar ook musea in ons eigen land zoals onder meer het in de jaren zeventig gerenoveerde Tropenmuseum waar de schitterende lichthal, die geheel was dichtgetimmerd, na jaren weer tot het stralende middelpunt van de omliggende expositieruimten is geworden. Essentie van deze benadering is dat monumenten niet alleen worden gekoesterd om hun decoratieve stijlzuiverheid maar in de eerste plaats wegens de primaire architectonische kwaliteit die eigen is aan de interne ruimtelijke opbouw, ondersteund door zulke primaire zaken als de toetreding van het daglicht.

De beste voorbeelden van eigentijdse renovaties zijn die waarbij juist bij de aanpassing aan nieuwe eisen gebruik is gemaakt van de specifieke architectonische eigenschappen waarmee het gebouw zich van andere vergelijkbare projecten onderscheidt. Ruijssenaars had daarvoor als architect van het Rijksmuseum een open oog, en maakte een gedurfd renovatieplan dat het oorspronkelijke concept van Cuypers in ere herstelt door het weer open maken van de binnenplaatsen, en dat daarnaast op zodanige wijze nieuwe elementen toevoegt dat dit concept door de aanpassing aan de eisen van de tijd nog verder versterkt wordt.

Dat Ruijssenaars daarin slaagde is niet alleen te danken aan zijn kunnen als architect, maar evenzeer aan zijn affiniteit met het werk van Cuypers, dat hij door nauwgezet onderzoek tot in de kleinste details wist te doorgronden en tot uitgangspunt van zijn voorstellen maakte. Mede daardoor had zijn plan een zodanige overtuigingskracht dat het werkte als hefboom waarmee de aanvankelijke weerstand tegen structurele ingrepen werd overwonnen en als generator van de aanzienlijke fondsen die nodig zijn om de dramatische fouten uit het verleden ongedaan te maken en het museum nieuwe levenskansen te geven.

In deze situatie ligt het op zijn zachtst gezegd niet voor de hand om het werk van Ruijssenaars terzijde te leggen en vervolgens – alsof het niet bestond – aan een aantal andere architecten te vragen in kort tijdsbestek en in onderlinge competitie plannen te ontwikkelen voor dezelfde opgave.

Op zichzelf genomen hoeven tegen een meervoudige opdracht in dit stadium geen bezwaren te bestaan, immers zo'n competitie kan met enige goede wil beschouwd worden als een verbreding van het onderzoek naar de beste aanpak van de renovatie, maar dan alleen als daarmee het plan van Ruijssenaars niet buiten beeld raakt. Niet voor niets heeft dit plan immers de status gekregen van masterplan en de kans dat geen van de nieuwe plannen de diepgang en de kwaliteit bereikt van dit plan is groot. Het masterplan als uitgangspunt meegegeven aan de uit te nodigen architecten lost ook niets op, want dan worden deze geconfronteerd met een plan van een collega die zelf niet meer mag meedoen. Dat zou niet alleen vragen oproepen van beroepsethiek maar is bovendien niet doelmatig en schadelijk voor het aanzien van het metier. Niet alleen wordt daarmee immers juist de kans gemist om naast en ter toetsing van het concept van Ruijssenaars nog andere mogelijkheden een gelijke kans te geven, maar bovendien worden de nu uit te nodigen architecten daarmee niet aangesproken op hun vermogen om als architect van naam voor een zo unieke opgave als hier aan de orde is een overtuigend eigen concept te ontwikkelen.

De conclusie is danook dat de nu voorgenomen meervoudige opdracht alleen kan bijdragen aan het vinden van de beste oplossing voor de renovatie van het Rijksmuseum als de uit te nodigen architecten vrij zijn hun eigen plan te ontwikkelen en Ruijssenaars wordt uitgenodigd om ook aan de competitie deel te nemen, zij het met een plan dat is aangepast aan de nader bij de meervoudige opdracht gestelde eisen. Dit plan kan dan op de normale wijze in de beoordeling van de inzendingen worden betrokken en de zekerheid bestaat dat uiteindelijk voor het beste plan en de beste architect voor dit project gekozen wordt.

Ik kan mij niet voorstellen dat wie dan ook, en zeker niet de directeur van het Rijksmuseum als opdrachtgever daar bezwaren tegen zou hebben. Bij de historische keuze die hier aan de orde is dient immers het belang van het Rijksmuseum voorrang te krijgen boven alle andere overwegingen.

Tjeerd Dijkstra is zelfstandig architect, emeritus hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft en voormalig Rijksbouwmeester.