Die Albanezen willen altijd meer

In Zuid-Servië hebben Albanese opstandelingen drie dorpen ingenomen. Belgrado zoekt een oplos- sing – een diplomatieke.

Het politiek zeer omstreden hoofd van de Servische geheime dienst, Rade Markovic, verschijnt halverwege de middag bij een wegblokkade in Zuid-Servië. Hij tuurt naar het dorp Lucane en draait zich om naar zijn gasten. ,,We kunnen daar niet heen. De Albanese terroristen zijn actief.'' Vervolgens spreekt hij zijn mannen, een antiterroristenbrigade van soldaten en agenten, moed in. ,,Hou vol.'' Al dagen zitten ze in de regen achter hun zandzakken. In de velden achter hen steken de lopen van mitrailleurs tussen de camouflagenetten door.

Rade Markovic scheurt even later met zijn gevolg terug naar veiliger gebied. De agenten pochen na zijn vertrek. ,,Ik koop mijn sigaretten in Lucane. Die Albanese honden maken mij niet bang.''

Dat is niet waar. De agenten op de grens tussen Kosovo en Servië zijn sinds vorige week wel degelijk bang. Drie collega's worden vermist, maar iedereen weet dat hun lijken in handen zijn van de Albanese opstandelingen. Twee dorpen, Lucane en Konculj, zijn ingenomen door die opstandelingen. Een ander dorp viel eerder dit jaar.

Het geweld bezorgt de nieuwe president van Joegoslavië, Vojislav Koštunica, kopzorgen. Hij voorziet het gevaar van een nieuw, gewelddadig treffen tussen Serviërs en Albanezen: de kwestie-Kosovo in het klein, en nu op Servisch gebied. De Albanezen in het gebied voelen zich achtergesteld. Albanese rebellen dragen insignes van het voormalige Kosovaarse Bevrijdingsleger UÇK en vechten onder de naam `Bevrijdingsleger van Preševo, Medvedja en Bujanovac' (UÇPMB).

Rade Markovic is amper vertrokken als de dorpsvergadering in het door het UÇPMB bezette Konculj is afgelopen. Zo'n tachtig Albanese rebellen rijden weg over de aangestampte hoofdweg van het dorp. Ze zitten opgepropt in auto's, staan op overvolle aanhangwagentjes en hebben zelfs twee oude voertuigen van het Joegoslavische leger geconfisqueerd. Een lange rij dorpelingen volgt hen. Velen zijn ook bewapend; een bejaarde man klemt trots een kalasjnikov tussen zijn stijve knieën. Niemand weet hoeveel Albanese opstandelingen zich in het gebied ophouden, maar hun aantal wordt geschat op ruim duizend. Ze wijzen op de geweren en de handgranaten die nonchalant aan hun vesten bungelen en gebaren: we lusten die Serviërs rauw. De Albanese inwoners van Konculj juichen als de soldaten van het bevrijdingsleger luid toeterend een ereronde door het dorp maken. Dit is Servië – maar je zou het niet zeggen.

Een avond eerder hadden de Joegoslavische soldaten en Servische agenten eenzelfde soort ereronde gemaakt door het verderop gelegen stadje Bujanovac. Toen hadden de Serviërs gejuicht bij zoveel machtsvertoon. Woedend zijn ze, over de inname van Servisch gebied door Albanese `terroristen'.

Branko Jankovic, handelaar in mobiele telefoons, zegt: ,,Hun onderdrukker, Slobodan Miloševic, is weg. Wat willen de Albanezen nog meer?'' Zijn buurman, opgewonden, roept: ,,Meer? Meer? Die Albanezen willen altijd meer. Ze willen heel Servië hebben.''

Even later verschijnen tientallen zwaar bewapende militairen voor het stadhuis: de nieuwe president van Joegoslavië arriveert. Vojislav Koštunica heeft die middag een bezoek aan de OVSE in Wenen voortijdig beëindigd om vanavond nog in dit afgelegen deel van Servië te verschijnen.

Servië, zo zegt hij, moet geduldig zijn. ,,We moeten dit probleem eerst langs diplomatieke weg oplossen. Maar we hebben ook het recht om ons territorium te verdedigen. De Serviërs moeten terugkeren naar dit gebied.'' Hij hekelt het optreden van de NAVO-geleide vredesmacht KFOR in Kosovo. ,,De Albanezen hebben hun wapens vanuit Kosovo naar binnen gesmokkeld. KFOR had hen moeten ontwapenen.''

Servische autoriteiten die een gewelddadig conflict via diplomatie willen oplossen – er is veel veranderd sinds Koštunica's aantreden op 6 oktober. De nieuwe president laat bovendien weten de problemen te hebben besproken met secretaris-generaal George Robertson van de NAVO en de VN-bestuurder van Kosovo, Bernard Kouchner, tot voor kort `aartsvijanden' van Joegoslavië. Zijn medewerkers hebben ook contact gehad met de `bezettingsmacht' KFOR.

De Albanezen zien weinig heil in diplomatie. Servische agenten molesteren de mannen en vallen de vrouwen lastig, zeggen ze. Ze zouden het Engelse leerboek van een leerling in de sloot hebben gegooid. ,,Bah, Engleski, riepen ze.'' En sinds jaren komen de Albanezen volgens eigen zeggen niet aan het werk. De Serviërs krijgen alle banen.

Aan de andere kant staat het Albanese `Bevrijdingsleger', dat hun grond tot slagveld heeft omgevormd. ,,We hebben geen idee wat het UÇPMB doet. Ons wordt niets gevraagd'', aldus een Albanees.

De afgelopen dagen zijn vele honderden mensen gevlucht, voornamelijk Albanezen. En dat is niet naar de zin van het UÇPMB. De rebellen hebben dan ook checkpoints opgezet om de vlucht van de Albanezen te verhinderen. Dat heeft een politieke reden. ,,We moeten niet een voor een vluchten'', zegt gemeenteraadslid Muharrem Xheraldini. ,,Dat trekt geen aandacht. Als we vertrekken, moeten we tegelijk vertrekken. Pas dan zal de wereld ons opmerken.''

Sommige Albanezen zien niets in dat plan en proberen alsnog, via de bergen, naar Kosovo te komen. Een jonge vrouw met haar anderhalve maand oude baby en een tienjarige jongen behoren tot hen. Maar in hun poging de Albanese rebellen te ontlopen, liepen ze naar verluidt eergisteren op een mijn.