Hbo en bedrijven werken samen

De krapte op de arbeidsmarkt noopt het midden- en kleinbedrijf ertoe meer samen te werken met het beroepsonderwijs.

Hoeveel hbo-studenten ambiëren een carrière in het midden- en kleinbedrijf? En hoeveel ondernemers schakelen de kennis van hogeschoolstudenten in als zij een nieuw businessplan of een export-strategie willen opzetten? Te weinig, menen ondernemersorganisatie MKB-Nederland en de HBO-Raad eensgezind.

Een vijf jaar geleden gesloten convenant tussen MKB-Nederland en hogescholen (`MKB en HBO gaan voor goud') werkt wel, maar de krapte op de arbeidsmarkt maakt nieuwe afspraken nodig. Iedere bedrijfstak trekt aan elke afgestudeerde student. En dan is een baan bij een groot informatie- en technologiebedrijf nog altijd populairder dan bij een klein, gespecialiseerd bedrijfje.

Om te voorkomen dat de economische ontwikkeling van het MKB stagneert én om hogescholen meer te laten zijn dan verschaffers van onderwijs aan jongeren tussen de 18 en 24, sluiten MKB-voorzitter Hans de Boer en de voorzitter van de HBO-Raad, Frans Leijnse, vandaag een nieuw convenant.

Bedoeling is meer studenten kennis te laten maken met het midden- en kleinbedrijf. Dit gaat gebeuren via stages, afstudeeropdrachten en zogenoemde duale routes (leren en werken). Daarnaast zouden bedrijven meer gebruik moeten maken van de kennis die hogescholen bieden. Harde, kwantitatieve doelstellingen over aantallen studenten in het midden-en kleinbedrijf volgen binnenkort, zo garanderen beide voorzitters.

Om dit allemaal voor elkaar te krijgen komen er `regioregisseurs': intermediairs tussen het bedrijfsleven met zijn arbeidsmarktproblemen en de naar de markt zoekende hogescholen. Zij moeten zorgen voor een beter imago van het midden- en kleinbedrijf, en voor bijscholing van docenten zodat die meer over het bedrijfsleven te weten komen. Ook moeten zij gastcolleges van ondernemers op hogescholen regelen en lesmateriaal ontwikkelen over de praktijk in het midden- en kleinbedrijf. En er moeten speciale `MKB-loketten' op de hogescholen komen.

Onderwijs en commercie zoeken elkaar dus intensiever dan voorheen op. Is dat niet wat laat? De Boer: ,,We zijn vijf jaar bezig, maar voordat een project eenmaal loopt duurt het even. Nu helpt de arbeidsmarkt een handje mee.'' Leijnse: ,,Hogescholen hebben even tijd nodig om te wennen aan een nieuwe werkelijkheid. We kunnen niet meer zeggen: we bieden alleen een voltijds programma van vier jaar aan. Dat past niet in de trend van het leven-lang-leren.'' De Boer: ,,Ondernemers vrezen bureaucratische rompslomp als ze een hogeschool benaderen voor een stagiair. Dat is ook niet geheel onterecht. Maar ze moeten weten wat hogescholen te bieden hebben. Ik ken voorbeelden van bedrijven waar een hogeschool-stagiair binnen een jaar een exportprogramma had opgezet. Die bedrijven richten zich nu, dankzij de kennis van één student, op de totale Europese markt.''

Kennis is toverwoord en bindmiddel tussen scholen en ondernemers, stellen beide voorzitters. ,,Groei gaat niet zonder kennis. Voor innovatie, export, personeelsbeleid, milieubeleid is kennis nodig'', aldus De Boer.

Leijnse: ,,De hogescholen zijn ooit uit particulier initiatief van ondernemers gegroeid. Overdag werken, 's avonds naar school – dat idee. In de loop der jaren zijn de hogescholen echter een verlengstuk van het departement geworden. Het is zaak terug te keren naar die oorspronkelijke opzet.''

En dat betekent ook meer concurrentie tussen de hogescholen, waarbij De Boer zich opwerpt als hoeder van onafhankelijk onderwijs. ,,Ik zou er op tegen zijn dat we de sluizen openzetten voor commerciële inmenging van bedrijven op scholen. De ondernemer gaat niet bepalen wat voor lessen er gegeven zullen worden. Terug naar de oorspronkelijke bedoeling klinkt goed, is ook goed, zolang de slinger maar niet helemaal de andere kant op gaat.''

Die waarborg tegen de `verplatting' hoort volgens Leijnse bij de hogescholen zelf te liggen. ,,Sommige scholen zullen heel bewust voor het `u vraagt wij draaien'-concept kiezen. Als dat gepaard gaat met kwaliteitsverlies, is dat niet goed. Dat selecteert zichzelf wel uit'', meent hij. De Boer is huiveriger. Hij waarschuwt voor een `varkenscyclus': ,,Een opleiding die dankzij sponsoring goedbetaalde docenten heeft, krijgt een hoge reputatie en trekt meer leerlingen aan, waardoor de docenten nog beter betaald krijgen. Publiek en privaat treden steeds meer in elkaars terrein. Dat kan, mits er goed over nagedacht wordt.''