De waarheid 3

Bij het artikel van Thomas von der Dunk kunnen enkele cultuurhistorische aantekeningen gemaakt worden. Verlichte christenen – voorop Gotthold Ephraim Lessing – begonnen in de 17de eeuw niet zozeer ,,de eigen geloofswaarheden [...] te relativeren'', als wel de ontoereikendheid van ons kenvermogen in te zien. Zo de openbaring onfeilbaar moge zijn en de waarheid absoluut, dan toch niet onze uitleg en ons begrip ervan; déze dienen gerelativeerd te worden en reeds híerom mogen we ze niet met overmacht aan anderen opdringen.

Wonderlijk is, in een geschiedkundige beschouwing ,,de `gewone' conflicten terzijde [te] laten''. Reeds lang vóór de uitvinding van het historische materialisme was bekend dat deze conflicten de neiging hebben achter religieuze, meer recent ook ideologische conflicten schuil te gaan en tevens deze in hoge mate te bepalen.

Het inzicht ,,dat op morele vragen geen pasklare antwoorden mogelijk zijn'', is geen verworvenheid van de moderne mens, maar van de scholastiek; nog ouder is het inzicht dat het zoeken naar niet-pasklare antwoorden kansloos is bij minachting voor in de cultuurgeschiedenis aangereikt houvast. Verdraagzaamheid bij een alles relativerende levenshouding is evenmin een kunst of uitdaging als intolerant fanatisme bij een onwrikbare dogmatiek of ideologie. Verdraagzaamheid is pas het vermelden waard bij een vaste levensovertuiging en deze blijkt pas in de ontmoeting met anderen. Dat dit onvoldoende doordringt, heeft meer psychologische redenen dan theologische of wijsgerige. Het verschil tussen `de meeste religies' en `hun meer fundamentalistische varianten' is dan ook niet gradueel, maar principieel. Wat Von der Dunk te denken zou moeten geven, is dat hij met zijn bewering dat ,,intolerantie [...] in beginsel inherent aan het verschijnsel godsdienst zelf'' zou zijn, naast ,,de gemiddelde imam in Iran en Joseph kardinaal Datzinger'' staat.