Damwanden tegen verdrogen hoogveen

Het Fochteloërveen is uitgedroogd. Damwanden moeten het regenwater vasthouden. Onlangs begon de laatste fase van een restauratieproject.

Er loopt een gevaarlijke weg door het natuurgebied. ,,Vele tientallen meters slang'', zegt Vereniging Natuurmonumenten, worden er iedere zomer weer dood aangetroffen op de weg door het Fochtelöerveen, een van de laatste hoogveengebieden op de grens van Friesland en Drenthe. Meestal worden de adders, ringslangen en gladde slangen overreden door automobilisten die een sluipweg kiezen om een provinciale weg te vermijden. Meestal 's ochtends, als de slangen verschijnen om zich op te warmen.

Het liefst zou Natuurmonumenten, eigenaar van het natuurgebied, de weg ,,aan de openbaarheid onttrekken'', zoals dat heet. Maar daar wil de lokale politiek niet aan. ,,Het draagvlak is nog niet groot genoeg'', stelt Ruud Kreetz van Natuurmonumenten vast. Vooral de inwoners van Fochtelo, het dorp aan de rand van het hoogveengebied, zijn bang dat de forensen een nieuwe sluiproute zullen zoeken, midden door hun dorpskern, met alle gevaren voor hun kinderen van dien. Binnenkort wordt de weg verhoogd en versmald. Ook komen er faunapassages. En een toeristische autoroute van de ANWB zal niet langer over deze weg voeren.

De aanpak van de weg maakt deel uit van een Integraal Restauratieplan Fochteloërveen, waarvoor in totaal elf miljoen gulden beschikbaar is, waarvan een fors deel aan EU-gelden. Doel is om het hoogveen te behouden door middel van een uitgekiende waterhuishouding. Onlangs is een begin gemaakt met de laatste fase van het `dammenplan' zoals het restauratieplan ook wordt genoemd. Volgend jaar oktober moet het karwei geklaard zijn. Het ruim tweeduizend hectare grote gebied, een uitgestrekte vlakte, wordt in compartimenten verdeeld door het plaatsen van houten damwanden. De damwanden, van Frans eiken, worden afgedekt met veenplaggen. Zo ontstaat een ,,sawa-achtig systeem''. Binnen de compartimenten kan het regenwater, waarvan hoogveen afhankelijk is, worden vastgehouden zodat zich de typerende vegetatie kan ontwikkelen.

Het Fochteloërveen is uitgedroogd. Al jaren. Het gebied is een soort omgekeerd soepbord waarvan het regenwater langs de randen afstroomt. Oorzaak is de actieve ontwatering van de afgelopen eeuwen in het vroegere Smildiger Veen, waarvan het Fochteloërveen een laatste rest vormt. Om turf te kunnen steken werden vele kanaaltjes gegraven om het veen te verdrogen en het te kunnen winnen, en waarlangs het veen ook werd afgevoerd. Bovendien werden grote delen van het veen in productie genomen voor de teelt van aardappelen, bieten en graan. Ook dat leidde tot verdroging. Kreetz: ,,Je kunt het Fochteloërveen zien als een uitgeknepen spons. Het hoogveen is verdroogd, vooral aan de randen. Maar ook in de kern van het gebied zakt het water in de zomer te diep weg.''

Met boswachter Willem Klok lopen we over de damwanden in het Fochteloërveen. In de verte holt een ree weg. Klok wijst naar opvliegende watersnippen. Hij is zelf een boerenzoon uit de omgeving en kent het gebied op zijn duimpje. Twintig jaar geleden ging hij als werkloze aan de slag met het dichtgooien van greppels om de afwatering en daarmee de verdroging van het hoogveen tegen te gaan. Hij is nooit meer weggegaan.

Klok vertelt over de vele vossen hier. Over de mistflarden, de `witte wieven', die het veen vooral in de winter af en toe zo'n geheimzinnige aanblik geven. En over het pijpestrootje, het plantje dat op dit moment vrijwel alle water wegzuigt en andere plantjes wegdrukt.

Het waterpeil in het Fochteloërveen wordt verhoogd, op sommige plaatsen met een halve meter, op andere plaatsen met anderhalve meter. Maar niet onverhoeds. Klok wijst naar de stuwen in elke damwand, waarmee het waterpeil redelijk nauwkeurig geregeld kan worden. Klok: ,,Het waterpeil luistert erg nauw. Daarom hebben we hier, schrik niet, veertig stuwen. Wat we proberen is het pijpestrootje weg te krijgen. Dat kun je doen door het plantje te verzuipen. Maar je moet oppassen dat je daarmee niet ook typerende hoogveenvegetatie verzuipt en dat je ook geen slangen meer hebt.''

Willem Klok stapt een waterplas in en grijpt naar het waterveenmos, het eerste plantje dat wijst op succes. Hij knijpt het fijn tot er niet meer dan een plakje groen overblijft. Ernaast staat veenpluis en ook het eenarige wollegras. Het zijn de eerste tekenen van herstel. Daarvan getuigen ook de vele soorten libellen en vlinders en zeldzame vogels zoals paapje en roodborsttapuit. De afgelopen twee jaar zijn er zelfs kraanvogels gesignaleerd.

Maar het echte herstel zal nog tientallen jaren vergen. Dan pas zullen er tientallen soorten veenmossen groeien in het schrale en arme milieu dat een hoogveengebied kenmerkt. Klok: ,,Het ideaal is ver weg. We doen het voor het nageslacht.''