`Britse kunst kan niet zonder woorden'

De Britse Turner-prijs, die vanavond wordt toegekend, leidt tot een jaarlijks debat in de Britse media over moderne kunst. Over één ding lijkt iedereen het eens: zonder begeleidende uitleg kan het werk van de genomineerden niet worden begrepen.

Zal de Concorde nog vliegen na de crash bij Parijs? Misschien is het vooral gek dat het zolang heeft geduurd. Vier naverbranders en 94.000 kilo kerosine sleurden je binnen vier uur de oceaan over, sneller dan het geluid. Maar de tijd had de Concorde allang ingehaald. Elke utopie wordt immers een anachronisme. Het symbool van de vooruitgang uit de jaren zestig toonde deze zomer eindelijk zijn ware gedaante: een geblakerde, verwrongen Icarus.

Zoiets wil de Duitse fotograaf Wolfgang Tillmans vermoedelijk zeggen met zijn tientallen foto's van de Concorde. Vermoedelijk, want foto's praten niet. We zien het supersonische verkeersvliegtuig starten, veraf op de startbaan van Heathrow, dan dichterbij in een vette bruine wolk, net los van de grond, en dan in een bewogen vlek recht boven de fotograaf met vuur uit de pijpen. In andere series zie je de Concorde over een parkeerplaats scheren, achter hoogspanningsleidingen, net boven een hek, langs de snelweg, een spoorbaan, of als een minuscuul zwart driehoekje in een lucht van schapenwolkjes. Ook het geluid moet je er zelf bij denken.

Tillmans, die werkt voor trendy bladen als I-D en de daklozenkrant Big Issue, is één van de vier kandidaten voor de Turner Prize, de jaarlijkse Britse prijs voor moderne kunst die vanavond wordt uitgereikt in de Londense Tate Gallery. Bij sommige bookmakers is Tillmans (1968) favoriet. Anderen zien meer in Michael Raedecker (1963), een Nederlandse schilder die veel donkere verf gebruikt en borduursel. Glenn Brown (1966) lijkt evenmin kansloos. De Brit schildert Rembrandt, Auerbach en omslagen van sf-romans na, maar met zulke fijne penseelstreken dat het wel foto's lijken. En wie een gokje durft te wagen zet zijn geld op Tomoko Takahashi (1966), de Japanse outsider die installaties bouwt van speelgoed, planten en afgeschreven kantoorboedels.

Het is een makke Turner-selectie, zonder de olifantendrollen, de doorgezaagde kalveren en de met sperma doordrenkte lakens die bij vorige edities voor emotie zorgden. Maar het was geen reden om de bekende discussies niet te voeren.

In een debat voor Channel 4, de commerciële tv-zender en sponsor van de Turner-show, betoogde de schrijver Howard Jacobson nog maar eens dat de prijs is ,,gekaapt door de kinderen van Duchamp''. Die introduceerde met zijn urinoir het objet trouvé in de kunst en maakte zo de weg vrij voor ,,ruwe meisjes, zelfpromotors, mislukte filmmakers, etaleurs en pseudoschilders voor wie spotten met schilderen de pointe van het schilderen is.''

Het weekblad The Economist schreef dat veel kunstprijzen eerder koopwaar aanprijzen in plaats van excellentie belonen. Matthew Collings, een kunstcriticus, verdedigde de juryleden met het argument dat ze geen trendsetters zijn maar een trendvolgers en dus niet verantwoordelijk voor de toestand van de kunst. Een groepje boze schilders en beeldhouwers dat zich de Stuckists noemt en ,,traditionele vaardigheden'' nastreeft, heeft beloofd de uitreiking vanavond als clowns verkleed te verstoren. Want het Turner-circus is ,,een nationale grap''. En ook dat klonkt vertrouwd.

Sir Nicholas Serota, Tate-directeur en Turner-voorzitter, probeerde het discours vorige week naar een hoger plan te tillen. In een lezing voor de BBC vroeg hij zich af ,,waar de angst vandaan komt dat we met moderne kunst worden genept''. Antwoord: te weinig mensen komen ermee in aanraking, onder meer omdat de regering buiten de hoofdstad weinig doet om moderne kunst toegankelijk te maken. Moderne kunst kan een ,,onmiddellijke visuele schok'', een ,,confrontatie met hedendaagse thema's'' teweeg brengen, als je jezelf openstelt, aldus Serota. En al gebruiken ze bakstenen, afval of olifantenpoep, daarmee doen kunstenaars wat ze al eeuwen doen: grenzen verleggen. ,,Alle kunst was ooit modern.''

Andrew Marr, chef van de politieke redactie van de BBC en een culturele barometer, was niet door Serota overtuigd. Kunst vertelt niet langer een algemeen bekend religieus of nationalistisch verhaal en ,,moet worden uitgelegd met woorden'', schreef hij zondag in The Observer. Zo werd een ,,kaste'' van beroepsuitleggers geboren, een culturele elite die baat heeft bij kunst die niet ,,direct'' is. Want hoe moeilijker de kunst, hoe beter de uitleggers zichzelf vinden, betoogt Marr. De uitleggers – onder wie Serota – zijn daarmee ,,een deel van het probleem geworden''.

Als dat een probleem is, lost deze Turner-selectie het niet op. De genomineerden hebben alle vier werk ingeleverd dat niet zonder woorden kan. Browns schilderijen zijn ,,bedoeld als reflectie op het gegeven dat we kunst vaak uit de tweede hand ervaren, door fotografie'', schrijft de jury. Raedecker maakt ,,verontrustende interieurs'' door de grenzen tussen ,,schilderkunst en handvaardigheid te laten vervagen''. Takahashi ,,onderzoekt'' de ,,structurele relatie'' tussen ,,schijnbaar toevallige voorwerpen''. En Tillmans foto's heten alleen maar ,,quasi-achteloos''.

Wie alleen op zijn eigen ogen vertrouwt, kan de vier nog tot zes weken de maat nemen. Volgens Tracy Emin, de kunstenares wier beslapen bed vorig jaar de discussie domineerde, is dat nou net het mooie van de Turner-prijs. ,,Groot-Brittannië is geen visuele natie'', zei ze kortgeleden. ,,Maar door mensen als Serota verandert dat gelukkig langzaam.''

Turner Prize, t/m 14 jan. 2001 in Tate Britain, Millbank, Londen; inl. +44(0)20 78878000 & www.tate.org.uk. Uitreiking live via internet: www.channel4.com

    • Hans Steketee