PvdA moet nu aanval op liberalisme inzetten

Het onlangs verschenen concept-beginselprogramma van de Partij van de Arbeid – `Tussen droom en daad'– moet worden gecorrigeerd en aangepast opdat de politieke verschillen tussen `links en rechts' weer beter zichtbaar worden, vinden Maarten Hajer en Paul Kalma

De afgelopen jaren heeft de sociaal-democratie in Europa haar positie – electoraal en bestuurlijk – aanzienlijk versterkt. Vanwaar die wonderbaarlijke terugkeer van een politieke stroming die door menigeen al was doodverklaard? Ze profiteerde van een groeiend electoraal onbehagen over het sociaal-economische beleid van veel centrum-rechtse regeringen; en van een behoefte aan een politieke wisseling van de wacht in het algemeen. Maar zeker zo belangrijk was de koers die veel sociaal-democratische partijen zelf gingen varen. Worstelend met sociaal-economische problemen en met een veranderd politiek klimaat, hebben ze het traditionele verzorgingsstaatsocialisme op belangrijke punten bijgesteld.

Deze nieuwe benadering, die van land tot land verschillende accenten kreeg, en waarvoor even zo vele benamingen in omloop kwamen (`Third Way', `Neue Mitte', `Sterk en sociaal'), berustte op twee pijlers:

een `activerende' verzorgingsstaat, die in scholing en begeleiding van werklozen investeert en hen tot (her)intreding op de arbeidsmarkt prikkelt; een scherpere afbakening van rechten en plichten;

financiële soliditeit; het terugdringen van staatsschuld en financieringstekort, ook als daarvoor bezuinigingen op de sociale zekerheid en de collectieve voorzieningen nodig zijn; geen afwenteling van overheidsuitgaven op komende generaties.

Dit programma, dat de Partij van de Arbeid in de jaren negentig met pijn en moeite heeft helpen doorvoeren, is een verworvenheid. Maar het dient, anders dan in het recent verschenen concept-beginselprogramma `Tussen droom en daad' gebeurt, gecorrigeerd en aangevuld te worden – gecorrigeerd voor eenzijdigheden en onrechtvaardigheden die het beleid zijn binnengeslopen, en aangevuld met thema's die onvoldoende aandacht kregen of die zich, in veranderde sociaal-economische en culturele omstandigheden, aan de politiek opdringen.

De sociaal-democratie bevindt zich daarbij in een ambivalente positie. Enerzijds kan ze de vruchten plukken van een teruggelopen werkloosheid en een verminderde staatsschuld, en kan ze vorm helpen geven aan een `post-saneringspolitiek'. Maar anderzijds wordt ze geconfronteerd met de schaduwzijden van een liberale economische politiek, waaraan ze zich de afgelopen jaren te veel heeft geconformeerd: overhaaste en ongerichte privatisering; deregulering van financiële markten; toenemende inkomensongelijkheid; publieke armoede (van de gezondheidszorg tot het onderwijs; van het openbaar vervoer tot de bibliotheken). Ze dient bovendien voorbereid te zijn op een afvlakking van de hoogconjunctuur en op internationale economische turbulentie.

De uitdaging waarvoor de sociaal-democratie zich gesteld ziet, kan als volgt worden omschreven. Ze heeft de kritiek van (conservatief-)liberale zijde, in het bijzonder op het functioneren van de verzorgingsstaat, verwerkt en staat nu voor de taak dat liberalisme op zijn beurt te kritiseren, op de sociaal-economische en culturele gevaren van een overmatig vertrouwen in de markt te wijzen en daar een constructief hervormingsprogramma tegenover te stellen. Naarmate de sociaal-democratie daarin slaagt worden de politieke verschillen tussen `links' en `rechts' ook weer beter zichtbaar. Voorspelde Wim Kok in zijn Den Uyl-lezing niet al dat ,,in de politiek twee visies om voorrang (zullen) strijden: de liberale (...) en de sociaal-democratische''?

Bij die vreedzame politieke strijd laat de PvdA zich leiden door:

het gelijkheidsideaal: `core business' van de sociaal-democratie in een markteconomie die steeds weer nieuwe ongelijkheden produceert; inspiratiebron voor een niet aflatend streven naar gelijke levenskansen en ontplooiingsmogelijkheden voor allen;

een besef van de enorme materiële rijkdom in eigen land; een `welvaartsbewustzijn', dat zich rekenschap geeft van de armoede in onze contreiën; van de grote ongelijkheid in vrijheid en welvaart op wereldschaal – en van de noodzaak die te bestrijden.

een engagement met uitbreiding en vernieuwing van de democratie; met een overheid die vertrouwen schept (en indien nodig hard optreedt), maar die tegelijkertijd de bestuurlijke capaciteit van de samenleving helpt vergroten.

De meningsverschillen tussen sociaal-democraten en liberalen zullen zich op drie terreinen in het bijzonder manifesteren.

Het eerste is dat van de verzorgingsstaat. Liberalen willen die verzorgingsstaat het liefst verregaand afslanken .

Daarmee staren ze zich blind op de gebreken die het bestaande verzorgingsstelsel zonder twijfel kent - maar die met 'minder overheid' nog niet zijn opgelost. Maar ze gaan vooral voorbij aan de blijvende maatschappelijke vraag naar goed georganiseerde collectieve zorg en dienstverlening. Aan de eilanden van achterstand en achterstelling in een welvarende samenleving; aan nieuwe sociale problemen en ongelijkheden (als gevolg van vergrijzing en immigratie; schooluitval; een hoog-productieve economie); maar ook aan de behoefte van werkenden aan nieuwe collectieve regelingen (bijvoorbeeld om arbeid en zorg te kunnen combineren).

De verzorgingsstaat die de sociaal-democratie nastreeft is:

activerend; gericht op bevordering van de zelfstandigheid en het eigen initiatief van de betrokken burgers - met de bijbehorende eigen verantwoordelijkheid;

voor iedereen toegankelijk; geen `armenzorg' die betrokkenen in inkomensafhankelijke regelingen opsluit en de middengroepen hun belang bij een goed functionerende publieke sector ontneemt;

doelmatig en dichtbij; professioneel georganiseerd, marktgericht waar dat verantwoord is, maar vooral gevoelig voor een grotere betrokkenheid van burgers bij de uitvoering van publieke zorg en dienstverlening (`sociale vernieuwing', vrijwilligerswerk).

Een actieve verzorgingsstaat, zo moet daaraan worden toegevoegd, heeft een prijs. Sociale bescherming, een (arbeids)intensieve bestrijding van uitsluiting en afhankelijkheid; modernisering van de sociale infrastructuur: ze doen de collectieve uitgaven onvermijdelijk oplopen. Wie die kosten niet op komende generaties wil afwentelen (door de overheidsschuld te laten oplopen), zal zich sterk moeten maken voor een relatief hoge, rechtvaardig verdeelde belastingdruk. Daarmee is een belangrijke politieke opgave voor de sociaal-democratie in de komende periode geformuleerd. Gezonde overheidsfinanciën en een adequaat toegeruste publieke sector gaan niet samen met voortgaande lastenverlichting.

Het tweede terrein waarop sociaal-democraten en liberalen tegenover elkaar staan, is dat van de organisatie van de economie. Het vraagstuk van de `economische orde' dringt zich – met de internationalisering van productie en handel, de deregulering van financiële en andere markten en een fabelachtige ontwikkeling van de techniek – weer met kracht aan de politiek op.

Het economisch liberalisme is, als het om zeggingkracht en oplossend vermogen gaat, over z'n hoogtepunt heen. Sterk in z'n kritiek op overregulering en staatspaternalisme, verliest het aan politieke relevantie wanneer de wereld één grote markt aan het worden is. Het gaat voorbij aan de onbeheersbaarheid van de internationale financiële markten en aan de sociale en ecologische (en dus ook: politieke) kwetsbaarheid van samenlevingen waarin het marktmechanisme het belangrijkste organisatieprincipe is geworden. Daar tegenover verdedigt de sociaal-democratie een internationale `gemengde' markteconomie, met als belangrijkste kenmerken:

herregulering van financiële markten; de opbouw van een systeem van `economic governance', waarin sociale bescherming van de bevolking van ontwikkelingslanden net zo belangrijk is als financiële transparantie; structurele hulp aan deze landen, gefinancierd uit mondiale belastingen (waaronder de zogeheten Tobin-tax);

een verzoening van economie en milieu, waarbij wettelijke normen een sterke verhoging van de milieuproductiviteit afdwingen; de bevoordeling van gangbare, veelal energie-intensieve economische activiteiten ongedaan wordt gemaakt; en de lasten van het milieubeleid evenredig over de bevolking worden gespreid;

versterking van de institutionele pijlers van een sociale markteconomie: een belastingstelsel dat werkelijk op draagkracht is gebaseerd; een vitale collectieve sector als hierboven bepleit; een sociaal-economisch beleid dat economische en maatschappelijke doelstellingen combineert; de onderneming als samenwerkingsverband van ondernemers en 'stakeholders'.

Nieuwe technologieën (van ICT tot biotechnologie) en de opmars van kennis als productiefactor zullen de economie een heel ander aanzien gaan geven. Dat dwingt tot heruitvinding van het Rijnlandse model – niet tot aanvaarding van een Angelsaksische vechtcultuur met haar snelle winsten en haar verziekte inkomensverhoudingen.

Het derde vraagstuk waarover de sociaal-democratie met het liberalisme botst, sluit maar gedeeltelijk aan bij de meningsverschillen die ze van oudsher hebben uitgevochten. Het heeft betrekking op wijze waarop en de richting waarin we de vrijheid die een hoogontwikkeld economisch-technologisch systeem biedt, willen gebruiken.

Drie thema's dringen zich daarbij met voorrang op:

de ontwikkeling van de techniek.

De sterk toegenomen technologische maakbaarheid van de natuur en de risico's die het gebruik van sommige technieken met zich meebrengen, maken de democratische beïnvloeding van die techniek tot een urgent politiek vraagstuk. Ze vragen om macht en tegenmacht, expertise en contra-expertise; om nieuwe democratische instituties – niet alleen om, waar nodig, grenzen te stellen, maar vooral ook om de vormgeving van die techniek actief te kunnen beïnvloeden;

commercialisering van de samenleving.

Bedreigender dan een gecontroleerd gebruik van het marktmechanisme in delen van de collectieve sector is de opmars van de commercie in sectoren met een belangrijke culturele functie, waarin vrijheid en pluriformiteit centraal horen te staan (onderwijs, kunsten en wetenschap; de massamedia); in de ruimtelijke inrichting van land, stad en regio; en niet in de laatste plaats bij de toepassing van nieuwe technologieën (octrooiering van biotechnologische kennis; commercialisering van het internet). De definiëring, afbakening en verdediging van het publiek domein zal in toenemende mate inzet van politieke strijd moeten worden;

de grenzen van de groei.

De voortgaande groei van de materiële productie en consumptie brengt tal van problemen met zich mee – in de vorm van schaarste aan ruimte en een wijkende natuur, van congestie, van afval in alle soorten en maten. Ze dwingen om ons te bezinnen op een minder op (volume)groei gefixeerde samenleving; op een economie, waarin meer nadruk op de kwaliteit van producten en productieprocessen komt te liggen. Milieubeleid en ruimtelijke ordening gaan hier hand in hand met een cultuurbeleid, dat voorzieningen helpt scheppen voor een verschuiving van materiële naar immateriële consumptie.

Met dat alles krijgt het aloude sociaal-democratische streven naar verbetering van `de kwaliteit van het bestaan' een nieuwe, ruimere betekenis. De sociaal-democratie verwijt het liberalisme te weinig oog te hebben voor de eenzijdige interpretatie die vrijheid en vrijheidsbeleving in een consumptiemaatschappij krijgen; voor de spanning tussen het primaat van de materiële consumptie en culturele emancipatie.

De Partij van de Arbeid formuleert in deze periode opnieuw haar uitgangspunten en haar politiek programma voor de lange termijn. Dat programma dient een nieuwe koers uit te zetten, waarmee de sociaal-democratie het in de dagelijkse praktijk niet altijd gemakkelijk zal hebben.

Het draagt om te beginnen – bij een mondialisering van economie, politiek en cultuur en gegeven de grote ongelijkheid in vrijheid en welvaart op wereldschaal – onvermijdelijk een sterk internationaal karakter. Of het nu gaat om de beïnvloeding van de technologie, de vormgeving van de markteconomie of om de financiering van de collectieve sector: samenwerking en besluitvorming op mondiaal en regionaal niveau zullen versterkt moeten worden. Daarbij is voor de Europese Unie – intern en extern – een sleutelrol weggelegd, waarop de PvdA nog slecht is ingesteld. Eens werd gezegd: `Europa zal sociaal-democratisch zijn of niet zijn'. Nu geldt, bescheidener en consequenter: `de sociaal-democratie zal Europees zijn of niet zijn'.

Verder worden, welbewust, `materialistische' en `post-materialistische' doelstellingen met elkaar vervlochten. Zoals de sociaal-democratie weer voorop moet lopen bij de bestrijding van sociale ongelijkheid, zo zal ze milieubehoud, een ontspannen arbeidsbestel en culturele participatie een centrale plaats in haar beleid moeten geven. Het zijn al lang geen `softe' thema's meer, maar harde voorwaarden zonder welke de economie vastloopt, de sociale zekerheidsuitgaven onbeheersbaar worden en de verzorgingsstaat verstart. Ze bieden bovendien uitzicht op een samenleving die niet blijft steken in materiële belangenstrijd en consumentisme.

En tenslotte zal de PvdA uit haar schulp van `bestuurderspartij' moeten kruipen. Ze zal steun moeten geven aan een vermaatschappelijking van de democratie, die burgers en maatschappelijke organisaties bij het beleid betrekt zonder de uiteenlopende verantwoordelijkheden uit het oog te verliezen, en ruimte moeten maken voor nieuwe vormen van controle, overleg en verantwoording. Er is geen simpele weg terug naar het klassieke primaat van de politiek. De bestaande politieke instanties ontberen in veel gevallen de macht, het inzicht en de expertise om tot adequate besluitvorming te komen. Politieke en maatschappelijke democratie zullen in samenhang moeten worden versterkt.

Kern van het sociaal-democratisch programma is altijd geweest: beperking van onze afhankelijkheid van economie en technologie; bestrijding van de heerschappij van het geld; een bewuste vormgeving van de eigen leefwereld. Ze zullen ook in deze eeuw haar belangrijkste opdracht blijven.

Maarten Hajer is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam; Paul Kalma is directeur van de Wiardi Beckman Stichting. Beiden zijn lid van de beginselprogramcommissie van de Partij van de Arbeid.