Klimaatconferentie

TWEE WEKEN ONDERHANDELEN en met lege handen naar huis. Dat is het resultaat van de zesde klimaatconferentie van de Verenigde Naties die zaterdag in Den Haag zonder akkoord is afgesloten. Er is over een half jaar een herkansing in Bonn, maar de voortekenen voor spoedige ratificatie van het Kyoto-protocol voor terugdringing van de broeikasgassen zijn er niet beter op geworden. In de laatste uren van de conferentie was een akkoord tussen de grote industriële blokken de VS en de EU – binnen handbereik. Het is treurig dat enkele delegaties niet in staat bleken over hun eigen schaduw heen te stappen ten behoeve van het klimaat.

Waar is het misgegaan? Anders dan de woordvoerders van de milieubewegingen in hun veelvuldige commentaren deden voorkomen, volgens conferentievoorzitter Pronk níet bij de Verenigde Staten. De conferentie begon ongelukkig met de toespraak van de Franse president Chirac, die de Amerikanen ongenuanceerd beschuldigde van energieverspilling. Dat was tamelijk gratuit, temeer als in herinnering wordt gebracht hoe snel de Franse regering in september zwichtte voor de druk van vrachtwagenchauffeurs om de dieselaccijnzen te verlagen.

De conferentie eindigde desastreus door de weigering van de Duitse en Franse milieuministers, Trittin en Voynet, om een compromis te aanvaarden. Beiden zijn lid van de Groene partij in hun land en dat blijkt in milieuconferenties geen voordeel. De verdeeldheid aan Europese kant kreeg alle ruimte omdat de EU in milieuzaken niet met één mandaat onderhandelt, zoals in internationale handelskwesties. Bij VN-conferenties heeft ieder land een stem en dat maakt het niet eenvoudiger om 180 landen op één lijn te krijgen.

DE ROL VAN de niet-gouvernementele organisaties op internationale conferenties mag ook wel eens kritisch tegen het licht gehouden worden. In Den Haag presenteerden vertegenwoordigers van de milieubewegingen zich als lobbyisten, activisten, waarnemers, hoeders van de aarde en gratis leveranciers van commentaar voor de televisie. Maar hoe sympathiek hun doelstellingen ook mogen zijn, milieubewegingen sluiten uiteindelijk geen verdragen. Hun prominente aanwezigheid heeft eerder averechts gewerkt omdat ze vooral de `groene' Europese milieuministers onder druk hebben gezet toch vooral vast te houden aan beginselen. Ze hebben er met hun lobby waarschijnlijk ook toe bijgedragen dat de ontwikkelingslanden te lang de hoop koesterden zonder voorwaarden extra hulpgeld uit de conferentie te kunnen slaan.

Twee invullingen van het klimaatverdrag staan nu op losse schroeven. Ten eerste de mogelijkheid om met gericht beheer van bestaande bossen en landbouwgronden een deel van de CO2-uitstoot in eigen land te mogen compenseren. Ten tweede de handel in `emissierechten', waarbij rijke landen voor een fractie van de prijs in arme landen met technologische verbeteringen een beperking van de CO2-uitstoot kunnen `kopen' of stukken oerwoud kunnen vrijwaren van ontbossing. Met dergelijke handel zouden ontwikkelingslanden het behoud van hun ecologie als permanente inkomstenbron kunnen benutten.

De mislukking van de klimaatconferentie valt de vergadervoorzitter niet te verwijten. Jan Pronk, minister van VROM en nog maar net gepasseerd voor een hoge VN-baan, heeft zich tot het uiterste ingespannen de partijen bij elkaar te brengen. Op grote internationale conferenties is Pronk op zijn best. Een succesvolle afronding was niet alleen het klimaat, maar ook hem persoonlijk meer dan gegund.