Bedorven

Eindelijk!

De laatste van de 4.988 pagina's van Het Bureau gelezen. Nu kan ik met een gerust hart doodgaan. Ik hoef me niet vanaf mijn sterfbed tot de auteur te wenden met de smeekbede om me de afloop te vertellen. Het zou een raar telefoontje zijn geworden.

Ik, kreunend: ,,Als ik nu doodga, is alles voor niets geweest...''

Voskuil: ,,Prima. Dat is ook de boodschap van mijn boeken.''

Ik: ,,Maar toch wil ik weten hoe u Maarten laat sterven.''

Voskuil: ,,Op mijn manier. Ieder sterft op zijn eigen manier. Dat merkt u nog wel.''

Meteen na voltooiing van een van mijn levensopdrachten stortte ik me op de recensies, die ik zo zorgvuldig had genegeerd. Ze lijken, op één uitzondering na, allemaal op elkaar, wat niet verwonderlijk is: er is over Het Bureau al zoveel gezegd en geschreven, behalve door de andere schrijvers van Nederland die nog altijd doen alsof het hier een fossiele romancyclus betreft van een Jan Mens-achtige collega.

Die uitzondering was Joyce Roodnat, ook een groot bewonderaar van Het Bureau, die haar recensie in NRC Handelsblad liet uitmonden in de conclusie dat Het Bureau niet alleen over `een bedorven carrière' gaat, maar ook over `een bedorven huwelijk'. ,,Overspel heeft Maarten gespeeld met Het Bureau, zijn vrouw heeft hij al die jaren bedrogen'', schrijft ze. Verderop: ,,Hij verraadde haar, liep zijn papieren pik achterna.'' En: ,,Het hoeft voor haar (Nicolien) niet meer.''

Een interessante visie die, vermoed ik, niet toevallig van de enige vrouw onder deze recensenten afkomstig is. Maar kan ik me erin vinden? Zoals zo vaak wanneer je door een oorspronkelijke mening wordt overrompeld: eerst wel, later minder en ten slotte: niet.

Het is waar: Nicolien is teleurgesteld door de bezetenheid waarmee Maarten zich op zijn werk stortte. Opzij vroeg drie jaar geleden aan Lousje Voskuil-Haspers, de vrouw van Voskuil die model stond voor Nicolien, hoe ze `die vervreemding van uw man' had verwerkt. Haar antwoord: ,,Ik heb er overheen geleefd. Niet samen, maar naast elkaar.(...) Maar ik vind het nog steeds jammer dat het zo gelopen is.''

Toch is `dat bedorven huwelijk' mij een (lange) brug te ver. Ook in dit laatste deel van Het Bureau blijkt weer dat er tussen Maarten en Nicolien een onverbrekelijke band van diepe genegenheid en vertrouwen blijft bestaan. De allerlaatste scène waarin ze samen voorkomen, heeft voor mij dan ook een (onbedoelde?) symbolische kracht. Maarten laat haar de brief lezen van oud-collega Ad Muller, door wie hij zich wreed verraden voelt. ,,Wat een verschrikkelijke brief'', zegt Nicolien. Maarten schrijft een antwoord en laat ook dat aan Nicolien zien. ,,Ja, dat is goed'', zegt ze.

Kun je in `een bedorven huwelijk' nog zó met elkaar omgaan?