Zwarte piet

Bij het horen van de term `ministeriële verantwoordelijkheid' denken we in de eerste plaats aan de problemen van ministers die de Kamer verkeerd of onvolledig hebben geïnformeerd of niet op de hoogte blijken van wat zich op hun departement afspeelt. Je zou bij die term ook aan iets heel anders kunnen denken: aan het beleid dat een minister heeft gevoerd en waar je hem verantwoordelijk voor kunt houden.

Momenteel is er sprake van een ongekende belangstelling voor onderwijs. Dat heeft alles te maken met het feit dat die sector decennia lang is verwaarloosd, waarvan de gevolgen steeds dramatischer zichtbaar worden. Zeker als de situatie daar wordt vergeleken met die in andere sectoren waar het juist allemaal zo goed gaat en waar geld geen rol lijkt te spelen. De hernieuwde belangstelling voor onderwijs brengt vanzelfsprekend de vraag met zich mee: hoe heeft het zo ver kunnen komen? In het onlangs verschenen `Onderwijs op de divan' volg ik het spoor terug en wijs daarbij Van Kemenade aan als degene die verantwoordelijk is geweest voor de ideologische patstelling die het voortgezet onderwijs jarenlang heeft verlamd: van de middenschoolideologie uit de jaren zeventig tot het onwerkbare compromis van de basisvorming van vandaag.

Stond Van Kemenade aan de basis van de ideologische afbraak, Deetman was verantwoordelijk voor de materiële afbraak in de periode daarna. Blijkens een interview in Trouw vindt Deetman dit verwijt van `zogenaamde deskundigen als Leo Prick' niet terecht. Hij meent dat het niet waar is dat hij met zijn salarisingrepen en andere rechtspositionele maatregelen het leraarsberoep zo onaantrekkelijk heeft gemaakt dat dit mede de oorzaak is van de tekorten nu, en hij voegt daaraan toe nog steeds bedankbriefjes te ontvangen van ouderen voor zijn riante regelingen voor vervroegde uittreding. Met dat sinterklaas spelen voor ouderen enthousiasmeer je natuurlijk jongeren niet voor het beroep van leraar. Die willen een beginsalaris vergelijkbaar met de verdiensten in andere sectoren en de doorgroei naar een salarisniveau met wat elders gebruikelijk is. Anders gezegd: ze willen niet worden onderbetaald, en dat worden, ondanks alle reparaties van de laatste jaren, zeker de eerstegraads leraren nog steeds. Het Centraal Plan Bureau noemde dit vorige week nog als een van de oorzaken van het huidige tekort.

Natuurlijk is het onzin Deetman persoonlijk de zwarte piet van de afbraak van het onderwijs in de schoenen te schuiven. Alle politieke partijen die het indertijd voor het zeggen hadden, deden daar volop aan mee. De draconische bezuinigingen werden alom gesteund of op z'n minst gedoogd en zijn door Ritzen onverdroten voortgezet. Journalisten stellen vaak de vraag waarom indertijd niemand zich daartegen verzette. Die vraag kunnen ze beter zichzelf stellen of hun (indertijdse) hoofdredacteur: geen krant, geen radio of televisie die er belangstelling voor had.

De politiek, de journalistiek, zij zijn beiden de spreekbuis van wat leeft in de maatschappij. Kortom, het onderwijs, daar liep niemand voor warm. Er was iets wat zo belangrijk was dat het al het andere overschaduwde: het begrotingstekort. Dit probleem speelde overigens ook in de ons omringende landen, maar, behalve in het Engeland van Thatcher, heeft men nergens zo rigoureus ingegrepen. Dat geldt zowel het onderwijs als de gezondheidszorg. Hoewel het dus de hele maatschappij valt aan te rekenen waren de betrokken ministers er natuurlijk wel voor verantwoordelijk.

hetveld@nrc.nl