WAS ER VEEL BLOED? HOE ROOK HET?

Kinderen en trauma's zijn twee woorden die eigenlijk niet in dezelfde zin zouden moeten staan, maar de realiteit is anders. Ook kinderen raken betrokken bij schokkende gebeurtenissen die hun leven abrupt ontwrichten. De vuurwerkramp in Enschede, de schietpartij op een school in Veghel, een roofoverval, een auto-ongeluk met fatale gevolgen, vluchtelingen en asielzoekers: voorbeelden genoeg. Gelukkig hebben kinderen over het algemeen veel veerkracht, de meerderheid slaat zich er dan ook goed doorheen. Maar een aantal redt het niet. Zij slapen niet meer, kunnen zich niet meer concentreren, worden agressief of onverschillig. De ervaringen kunnen hun hele verdere leven beïnvloeden: leerprestaties nemen af, sociale contacten gaan moeizaam. Om dit soort posttraumatische stressstoornissen te voorkomen ontwikkelden Jeanette Eland, orthopedagoog en Carlijn de Roos, psycholoog/psychotherapeut, een opvangprogramma – samen met prof. dr. Rolf Kleber van de Universiteit Utrecht, KUB en het Instituut voor Psychotrauma). Dit najaar verscheen de weerslag hiervan in boekvorm, getiteld 'Kind & trauma'.

`Peter' is tien jaar. Samen met zijn vader, moeder en zus van dertien woont hij op een flat. Het is acht uur 's avonds als er hard op de deur gebonsd wordt. Moeder doet open. Drie gemaskerde, gewapende mannen dringen het huis binnen en dwingen de familie op de grond te gaan liggen. Ze willen geld en om hun woorden kracht bij te zetten schoppen ze de vader tegen zijn hoofd en slaan ze met de kolf van hun geweer zijn tanden uit zijn mond. Als ze hebben wat ze hebben willen, verlaten ze het huis. De zus belt 112 en vader wordt zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht. De rest van de familie blijft geschokt achter. Die nacht kan Peter niet slapen, en de daaropvolgende nachten ook nauwelijks. Als hij wel inslaapt heeft hij nachtmerries. Steeds weer ziet hij het bloed uit de mond van zijn vader op het tapijt in de huiskamer vloeien. Peter wordt opvliegend, angstig en stil. Hij gaat wel naar school, maar kan zich niet concentreren.

Peter is één van de vijfenveertig kinderen die aangemeld werden voor een gezamenlijk trauma-project van de Bavo-RNO-Groep (een Zuid-Hollandse psychiatrische zorgorganisatie) en het Instituut voor Psychotrauma. Het project vormt de basis van het boek Kind & Trauma. Hoeveel kinderen jaarlijks een traumatische gebeurtenis meemaken is niet bekend. In 1999 hielpen de Bureau's Slachtofferhulp 11.425 kinderen en jongeren, van wie de meesten te maken hadden met geweldsdelicten.

Peter kwam anderhalve week na het voorval bij Carlijn de Roos. ``Hoe sneller hoe beter'', zegt zij, ``vroege interventie kan latere klachten voorkomen.'' ``En je kunt de lijdensdruk verlichten'', vult haar collega Eland aan. ``Maar, psychische zorg heeft pas zin als de basale dingen, zoals medische zorg, geregeld zijn. De routine van het dagelijks leven is de inbedding van de zorg.''

In hun praktijkruimte in Hilversum vertellen de auteurs wat het kenmerkende is van hun opvangprogramma. Eland: ``De directieve aanpak. Kinderen én hun ouders krijgen van ons concrete adviezen hoe zij het dagelijks leven weer op poten kunnen zetten. Kinderen slapen bijvoorbeeld na zo'n ingrijpend voorval vaak bij hun ouders in bed. Wij adviseren al de eerste keer om kinderen weer gewoon in hun eigen bed te slapen te leggen. Het is belangrijk zoveel mogelijk de oude routine te herstellen. En als het lukt is het goed voor het zelfvertrouwen van het kind.''

Ook Peter kreeg in de eerste bijeenkomst het advies in zijn eigen bed te gaan slapen en gewoon weer naar voetbal en muziekles te gaan, ook al vond hij daar niets meer aan. In de eerste bijeenkomst wordt globaal geïnventariseerd wat er gebeurd is en hoe het kind erdoor veranderd is. De Roos: ``We complimenteren een kind voor wat hij gedaan heeft of juist achterwege heeft gelaten. Zo had de oudste zus van Peter bewust niet gekeken hoe haar vader in elkaar werd geslagen. Daarmee hebben we haar gecomplimenteerd door haar erop te wijzen dat ze daarmee zichzelf in bescherming nam.''

In de tweede sessie wordt in detail ingegaan op het voorval. Afhankelijk van de leeftijd gebeurt dit door tekenen, naspelen en/of vertellen. Ouders en kinderen doen gescheiden van elkaar hun verhaal. ``Kinderen ontzien hun ouders en vertellen dus niet alles wat ze hebben gezien. De naarste gedeelten laten ze weg'', is de ervaring van De Roos. Het natuurlijke verwerkingsproces is voor veel kinderen een afwisseling van praten en vermijden. Eland: ``Het zijn de beelden die steeds terugkomen die het ergste zijn. Daar denken kinderen liever niet aan, maar confrontatie met die beelden is nodig voor de verwerking. Daarom vragen wij kinderen het beeld dat hen het meest achtervolgt in hun hoofd te nemen. Die `dia' gaan we analyseren: `Wat zag je precies?' 'Hoe zag die wond eruit?' `Was er veel bloed?' `Hoe rook het?' 'Wat hoorde je?' Wij zijn als het ware meer detectives dan psychologen en gaan bijna zakelijk om met dat beeld. Juist het benoemen van al die gruwelijke details tezamen met de ervaring niet door angst overspoeld te worden, werkt helend, is onze ervaring. Wij gaan dus niet meteen in op gevoelens, zoals in de hulpverlening veelal gebeurt, maar focussen echt op het incident.''

Veelal zijn vier sessies voldoende voor kinderen om, met behulp van hun ouders, de draad van hun leven weer op te pakken. Ze slapen weer, voelen zich niet meer gespannen of bang en kunnen met afstand over de gebeurtenis praten. Overigens kan niet met zekerheid worden vastgesteld of dat de verdienste van het programma is, melden Eland en De Roos, omdat er geen controlegroep was en ook zonder professionele hulp klachten vaak afnemen. ``Maar dankzij dit programma herstellen kinderen waarschijnlijk wel sneller'', aldus Eland. Ook kinderen die nog steeds klachten hebben geven aan dat zij zich beter voelen, dat ze `vaker blij' zijn, `rustiger van binnen' zijn en zich `minder bang' voelen. Volgens de auteurs lijken deze kinderen een gevoel van overgave of acceptatie te ervaren, dat hen het gevoel geeft dat ze weer `bij zichzelf' komen.

Eland en De Roos verzorgen inmiddels ook trainingen aan hulpverleners en anderen die met kinderen werken. ``We zien dat hulpverleners soms bang zijn om kinderen opnieuw te traumatiseren als zij de schokkende gebeurtenis en de details ter sprake brengen. Wij denken dan vaak dat de hulpverleners het zelf niet aankunnen'', zegt Eland, die ervoor pleit dat ieder kind dat een traumatische gebeurtenis meemaakt standaard dit opvangprogramma krijgt aangeboden.

De rol van de school valt buiten de reikwijdte van het boek. Toch bevestigen de auteurs dat de school belangrijk is in het herstelproces. ``Eigenlijk zou iedere school een `rampenplan' moeten ontwikkelen, waarin een crisisteam wordt benoemd van docenten, directie en hulpverleners, dat kinderen kan bijstaan in geval van een calamiteit'', aldus Eland. Maar ook als slechts één kind een ingrijpende gebeurtenis meemaakt moet de school er op inspelen. Eland: ``Negeren is sowieso fout. Begrip hebben voor het feit dat je getroffen leerling moe is, ongeconcentreerd, agressief misschien, is belangrijk. Daarmee geef je het kind het gevoel dat zijn problemen erkend worden.''

Jeanette Eland, Carlijn de Roos & Rolf Kleber, Kind & Trauma, een opvangprogramma. Uitgeverij Swets & Zeitlinger ƒ49.50

De naam Peter is een gefingeerde naam, ook zijn familieomstandigheden zijn veranderd om herkenning te voorkomen.