Trucs in de broeikas

Tussen alle beleidsdebatten gaven ook de wetenschappelijke sceptici acte de présence bij de klimaatsconferentie in Den Haag.

Op de klimaatconferentie in Den Haag ging het niet over wetenschappelijk onderzoek aan broeikaseffect en klimaatverandering maar over maatregelen tegen de dreigende opwarming. Toch kwam er plotseling een oproep aan de binnen- en buitenlandse pers om op maandag naar een Haags hotel te komen om daar juist over de wetenschap achter het broeikaseffect te praten. Een grote groep geleerden zou er aan de hand van controleerbare feiten aantonen dat het broeikaseffect niet bestond. `Onze analyse ontdekte een overweldigende hoeveelheid aanwijzingen tegen enige mondiale opwarming de laatste zestig jaar', schreef het persbericht.

Uiteindelijk bleken negen geleerden in hotel Carlton Ambassador verzameld. Hun lunch liep wat uit, maar de pers vermaakte zich in de antichambre. De aimabele dr. Fred Singer, emeritus hoogleraar milieuwetenschappen in Virginia, nam onmiddellijk het woord. Singer voert al jaren een persoonlijke campagne tegen het IPCC (het VN-orgaan dat de broeikaskennis bundelt) en zijn argumenten zijn in Nederland vooral bekend van het boek `The global warming debate', uitgegeven door de European Science and Environment Forum (ESEF, 1996).

pijnlijke discrepantie

Zou Singer nieuws hebben? Ja, hij had een rapport bij zich van de National Academy of Sciences dat begin dit jaar verscheen. Daarin staat, zegt hij, dat er weliswaar aan het aardoppervlak een opwarming wordt gemeten, maar dat radiosondes en satellieten nog steeds geen enkel opwarming in de hogere luchtlagen hebben gesignaleerd. Volgens de klimaatmodellen zou die er wel moeten zijn. Het IPCC neemt deze pijnlijke discrepantie tussen de toch al zo aanvechtbare grondmetingen en de metingen in de troposfeer wel volledigheidshalve op in zijn rapport, maar zwijgt erover in de beruchte `samenvatting voor beleidsmakers'. Onbehoorlijk.

Het rapport waaruit Singer citeerde heet `Reconciling observations of global temperature change' en is op internet te vinden (www.nap.edu). Het behandelt de kwestie, waarop niet alleen Singer maar ook het IPCC (en trouwens ook deze krant) al vele malen uitdrukkelijk is ingegaan, als een zeer serieuze zaak waarover men zich niettemin niet al te ongerust hoeft te maken. Het is door de gebrekkigheid van de waarnemingen uit radiosondes en satellieten nog steeds niet duidelijk hoe groot de discrepantie werkelijk is. Bovendien zijn er voldoende verklaringen voor te vinden: er zijn de menselijk invloed op stratosferisch ozon, de industriële aerosolen, trends in zonneactiviteit en zelfs ontbossing kan een rol spelen. In hun conclusies tonen de auteurs van het NAS-rapport zich nog steeds volledig overtuigd van de klimaatverandering. Met opvallende nadruk wordt in de samenvatting genoteerd dat de discrepantie op geen enkele wijze de conclusie aantast dat het aardoppervlak warmer wordt.

Héél nieuw en schokkend was het dus niet, wat Singer had ontdekt. En met de rest van zijn praatje was het net zo. Dat de gemiddelde aardtemperatuur de laatste twintig jaar kennelijk zo steeg zat 'm voornamelijk in een lokale opwarming in Alaska en Siberië, betoogde hij. Verderop op aarde werd het helemaal niet warmer, sterker nog: werd het soms zelfs kouder. Misschien deugen de thermometers in Alaska en Siberië gewoon niet, dacht Singer. En waar opwarming in eerste instantie reëel lijkt is die vaak toe te schrijven aan het `urban heat island' effect. Thermometer-hutten staan vaak op plaatsen die in de loop van de tijd steeds meer ingebed raakten in stedelijk bebouwing. Daar wordt het altijd warmer.

Dit zijn de gehanteerde debating trucs in het broeikasdebat: het wijzen op het verschil in trend tussen een lokale meetreeks en de trend in het mondiale gemiddelde. Het is helemaal geen geheim dat het op sommige plaatsen niet warmer, ja zelfs kouder wordt. Het NAS-rapport wijst er ook nog op. En aan het `urban heat island' effect heeft het IPCC de grootst mogelijke aandacht besteed.

Na Singer was het woord aan de gediplomeerde meteoroloog dr. Gerd-Rainer Weber die in de genoemde ESEF-publicatie nog optrad namens het Gesamtverband des Deutschen Steinkohlenbergbaus maar zich nu slechts als `climate expert' in de convocatie had laten opnemen. Weber had weinig meer achter de hand dan de net beschreven debating-truc. Hij concentreerde zich op `extreme weather events', klimatologische natuurrampem, en had opgemerkt dat het IPCC in zijn komende rapport uitspreekt dat er een ongunstige trend zichtbaar lijkt in het voorkomen van perioden met extreme regenval. In Duitsland blijkt daar helemaal niets van, aldus Weber. Wij hebben hier ook niet meer stormen dan vroeger en het aantal onweersbuien neemt zelfs af. Maar het IPCC had zich natuurlijk ook helemaal niet over Duitsland uitgelaten.

variabel

Over naar emeritus hoogleraar dr. Harry Priem, geoloog van huis uit maar inmiddels ook `climate expert'. Zijn betoog was genuanceerd: klimaten zijn altijd variabel geweest, het kan best zijn dat het warmer wordt en natuurlijk ìs CO2 een broeikasgas, maar er zijn zoveel andere invloeden op het klimaat. Priem memoreerde nog maar eens dat onderzoek aan boorkernen uit zuidpoolijs had aangetoond dat in de afgelopen duizenden jaren de atmosferische CO2-concentratie soms hoog was terwijl de temperaturen toch laag bleven, en andersom. En hij liet onvermeld dat de klimaatmodellen niet steunen op historische relaties tussen CO2-concentratie en temperatuur.

En toen was het alweer tijd voor de Brit Richard Courtney, milieu-consultant en naar eigen zeggen ook reviewer van de IPCC-ontwerpteksten maar toch duidelijk behept met een ongeneeslijke afkeer van de groep. Courtney woont op een boot van 30 voet en hij zou het zeker merken als er meer storm kwam, maar hij merkt niets. Courtney speelde de rol van Marcus Antonius in Shakespeare's Julius Caesar: er zit heel veel `good science' in de IPCC-rapporten, werkelijk waar, de wetenschappers zijn allemaal achtenswaardige lieden, hij zou de laatste zijn om het woord `fraude' in de mond te nemen, maar het was toch evident dat de samenvattingen voor beleidsmakers niet deugden. Die worden opgesteld door politici en zijn een belediging van de wetenschap.

Courtney had nog een leuke illustratie van het soort manipulatie dat hij nooit fraude zou noemen: een grafiek uit Geophysical Research Letters (15 maart 1999) die een reconstructie toont van de gemiddeld temperatuur op het noordelijk halfrond in de periode 1000-1998, voornamelijk gebaseerd op metingen aan jaarringen van bomen. Tussen 1000 en 1900 wordt het eigenlijk almaar kouder, maar na 1900 gaat de grafiek opeens steil omhoog. Maar dat stukje grafiek is niet langer gebaseerd op jaarringen, weet Courtney, maar op van die onbetrouwbare temperatuurmetingen. Hadden ze jaarringen gebruikt dan was de temperatuurlijn nog verder gezakt. De genoemde grafiek staat ook in Nature van 23 april 1998 en wie het bijschrift leest stelt vast: Courtney zegt maar wat.