Suriname 25 jaar

SURINAME VIERT VANDAAG dat het een kwart eeuw bestaat als onafhankelijke republiek. Maar redenen voor uitbundige feestelijkheden zijn er nauwelijks. Wat in 1975 het paradepaardje van het Nederlandse dekolonisatiebeleid had moeten worden, is uitgelopen op een menselijk, economisch en politiek drama. Met het recente aantreden van het kabinet van president Ronald Venetiaan is er hopelijk een keer ten goede gemaakt. Alleen al die hoop is belangrijk voor de Surinamers. Zij verdienen een betere toekomst dan voortzetting van de treurnis van de afgelopen vijfentwintig jaar.

De Nederlandse politieke leiders die Suriname onafhankelijkheid verleenden – Den Uyl, De Gaay Fortman, Pronk – kochten hun wroeging over het koloniale verleden af met een overdaad aan geld. Suriname wist zich geen raad met die miljarden guldens en voorzover het geld niet direct werd verspild was ook van enig duurzaam effect van de ontwikkelingshulp geen sprake. Intussen bloedde Suriname leeg: vóór en na de onafhankelijkheid trok een groot deel van de bevolking richting Nederland om hier een toekomst op te bouwen.

In Paramaribo gleed de oude politiek, georganiseerd langs etnische lijnen, geleidelijk af. Toen volgde de staatsgreep van de sergeants en vervolgens het bloedbad van Fort Zeelandia in december 1982. Suriname kwam in de greep van bevelhebber Desi Bouterse, de Nederlandse ontwikkelingshulp werd opgeschort en als alternatieve bron van inkomsten werd de cocaïnehandel aangeboord met Suriname als overslag tussen Colombia en Amsterdam. In het binnenland begon een guerrilla, de Verenigde Staten en Brazilië gingen zich met het land bemoeien en Nederland stond aan de zijlijn. Met Bouterse als boeman schipperde Den Haag tussen machteloosheid en moralisme.

DE PLUNDERING VAN Suriname bereikte een dieptepunt onder de vorige regering van president Wijdenbosch. Deze liet de economie geruïneerd achter, de schatkist was leeg, het goud van de deviezenvoorraad verkwanseld, de Surinaamse gulden een vodje papier, de achtergebleven bevolking verpauperd. Het land raakte politiek geïsoleerd, ook in de regio, en eerder dit jaar dreigde zelfs een grensoorlogje met buurland Guyana. Over dit alles hing de slagschaduw van het Nederlandse opsporingsbevel tegen Desi Bouterse, de voormalige sterke man die inmiddels een gevangene in eigen land is, maar nog altijd uitstekend weet hoe hij zijn achterban aan zich moet binden.

Hoe moet Suriname verder? Het getuigt van moed dat president Venetiaan van plan is het morele aanzien van de regering te herstellen door het trauma van de decembermoorden te onderzoeken. De nieuwe regering probeert het democratische klimaat te herstellen, is bezig Bouterse aan te pakken en maakt constructieve stappen om de betrekkingen met Nederland te verbeteren. Verder moeten de economische verhoudingen hoognodig gesaneerd worden, maar daarvoor is tijd nodig, en geld. Nederland doet er goed aan de ontwikkelingsrelatie met Suriname te herzien. Het is beter om de knellende bilaterale band van het Raamverdrag te vervangen door een kader van bredere, multilaterale steun via de Wereldbank of de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank. Nederland op afstand, Suriname op eigen benen. Dat biedt perspectief voor een gelukkiger tweede kwart eeuw van Surinaamse onafhankelijkheid.