Professor Karels vak

Twee hamsters kun je met de helft van de lichtsnelheid op elkaar laten botsen, maar de uitkomst van die proef zal moeilijk te interpreteren zijn. Dat merk je wanneer je het experiment een honderdtal malen herhaalt: de resultaten zijn nooit dezelfde. Het gaat al beter wanneer je fietskogeltjes neemt, en pas bij een botsing van elektronen begint het ergens op te lijken. Niet dat de hamsters te weinig nuttige informatie bevatten, integendeel: het is allemaal te veel. Zulke knaagdieren verschillen in talloze opzichten, en dat maakt de gevolgen van zo'n botsproef erg onoverzichtelijk. Er zijn, vaktechnisch gezegd, te veel vrijheidsgraden. Maar bij elektronen ligt dat anders. Als je één elektron hebt gezien, heb je ze allemaal gezien, want elektronen zijn onderling identiek en zij hebben, voorzover wij nu weten, geen substructuur. Natuurkundigen hebben net zolang geploeterd totdat zij – misschien met meer geluk dan wijsheid – een niveau van eenvoud bereikten. Fijn voor ons, maar tot mijn verbijstering hoor ik regelmatig mensen beweren dat de natuurkundige vorm van experimenteel onderzoek de enige is die de naam `wetenschap' verdient. Een beetje begrijpelijk is dat wel, voornamelijk door de toepassingen van de natuurwetenschappen, maar niet door de wetenschap zelf (over toegepaste alfa vertel ik later wel eens).

Nooit doen biologen zo'n hamsterproef. Niet zozeer uit deernis met de hamsters, want er gebeuren soms dingen in de experimentele zoölogie die ik niet van sadisme kan onderscheiden, maar omdat je er geen biologie van leert. Toch zal vrijwel niemand beweren dat biologie geen wetenschap is. Niet alleen wegens Linnaeus en Darwin, maar ook wegens Tinbergen met zijn blozende stekelbaarsjes. Het is dus verkeerd om je te beperken tot de natuurkundige aanpak. Wetenschap wordt in woordenboeken omschreven alsof het een ding is, of een methode. Maar het is veeleer een geestestoestand, zoals angst of vreugde. Het klinkt als een citaat uit het Woudlopershandboek, maar toch: het is een bereidheid. Een wetenschapper is bereid zich een slag in de rondte te werken voor niets (nooit echt geld en zelden echt resultaat) en bereid tot eindeloos leren. Die voorwaarden zijn noodzakelijk, maar niet voldoende. Er is een derde nodig: de bereidheid zich door de feiten te laten terechtwijzen. Feiten dus, zoals `de Aarde draait' (wie beweert niet te weten wat een feit is, die liegt, tenzij hij onbekommerd water in zijn benzinetank gooit).

Alfa-vakken zijn wetenschap. Maar alfa-feiten worden niet ontdekt door het aantal letters in de werken van Shakespeare te tellen, of door Bachs handgeschreven partituren te koken in salpeterzuur. Is geschiedenis een wetenschap? Laten wij de volgende uitspraak eens toetsen: `Karel de Grote was de bijnaam die dr. Karel van het Reve, hoogleraar in de Russische taal-en letterkunde, kreeg van zijn studenten.' 't Moet een makkie zijn om door wat navragen de onjuistheid hiervan aan te tonen: die studenten zouden dat niet in hun hoofd hebben gehaald. En hoewel ik Van het Reve helaas nooit heb ontmoet, lijkt het mij zeker dat hij te bescheiden èn te scherp was om zich zoiets te laten aanleunen. Of probeer eens: `Karel de Grote was de bijnaam die aan Karel de Vijfde werd gegeven in de latere jaren van zijn bewind.' Is dit historisch juist? Vijfendertig procent van de eerstejaars Letteren beantwoordt deze vraag fout. Ga de bronnen na, en zoek het uit: `Wie werd wanneer waar geboren, en door wie werd hij hoe genoemd?' Deze ultieme tentamenvraag is te beantwoorden als je door studie en met wat geluk de juiste bronnen weet aan te boren. Nieuwe feiten: potten opgegraven, boek ontdekt, schrift ontcijferd. Zonder een wetenschappelijke aanpak was het met Champollion en zijn hiërogliefen nooit wat geworden.

Taalkunde is, volgens Liesbeth Koenen, al een experimentele wetenschap aan het worden dankzij de positron-emissie-tomografie, waarmee je in je hersenen kunt kijken om te zien welke lampjes oplichten als je Tolstoj leest.

Geschiedenis is een wetenschap, maar letterkunde is een lastiger geval. Een van Van het Reve's meesterwerken is Geschiedenis van de Russische literatuur. Dubbel-alfa, dus: geschiedenis èn letterkunde. Toch kunnen wij het proberen, want – zoals Thomas Browne zei – het is niet helemaal onbegonnen werk om uit te vinden welk lied de Sirenen tot Odysseus zongen. Van het Reve zelf deed af en toe een wat kokette poging zijn eigen vak voor schut te zetten, door op te merken dat het verschil tussen een meesterwerk en een keukenmeidenroman niet exact omschreven kan worden. Nou, en? Dat er op bepaalde vragen nog geen antwoorden zijn, kun je de wetenschap niet kwalijk nemen – anders konden wij ook de natuurkunde wel opzouten. Zolang je als een tijger op de feiten jaagt, ben je een wetenschapper. Een van die feiten geeft Van het Reve: `Men kan een zodanige beschrijving van een machine geven dat men, die beschrijving volgend, net zo'n machine kan maken. Een beschrijving van een kunstwerk is echter [...] altijd zo, dat men een kunstwerk kan maken dat geheel aan die beschrijving beantwoordt en nochtans zeer slecht is.' Daarna kun je je afvragen hoe dat komt; ik denk doordat toegepaste natuurkunde zo simpel is in vergelijking met kunst. Machines worden gedreven door eenvoudige toepassing van de krachten buiten ons, terwijl de kunst haar kracht zoekt in het zootje ongeregeld binnenin. Dat wij ons gedragen volgens dezelfde wetten als elektronen helpt niets, want wij zijn nog weer wat ingewikkelder dan een hamster.

Zelf vind ik, pace Van het Reve, dat letterkunde wel een wetenschap is, maar het is moeilijker dit aannemelijk te maken dan in het geval van de geschiedenis, want de aard van de feiten is hier nog zo vaag. Het gaat niet om `verklaringen' zoals fysische mechanismen. `Als wat Tolstoj beschrijft verklaard moet worden, als wat Tolstoj schrijft iets betekent dat door Jansen moet worden uitgelegd, waarom heeft Tolstoj dan al die moeite gedaan?' Van het Reve is allergisch voor `verklaringen' die `betekenissen' willen geven. Maar dat hoeft nu juist niet, omdat Tolstoj zo goed schreef, en omdat mensen toen en nu hetzelfde waren. Wat je op zijn minst wèl moet doen is de feiten beschrijven: uitleggen wat een samovar is, hoe die werkt, hoe de thee eruit smaakt, wie er een bezat, hoe duur ze waren en hoelang ze meegingen. Waarom een trojka drie paarden heeft, en hoe de oorlogvoering in de slag bij Borodino verschilde van die bij Arnhem. Want in de tijd van de kalasjnikov weet niemand meer hoe je vocht met een voorlader en door paarden getrokken kanonnen, en dus ook niet wat dat voor gevolgen had voor de geestelijke en lichamelijke toestand van soldaten en officieren.

Dat dit soort feiten nodig is, merk je direct als je iets wilt vertalen, zelfs binnen dezelfde taal. Vondel is nauwelijks te lezen zonder het boek van `Jansen' ernaast. Dat komt deels door de Kaninefaten die onze spelling verzieken; het is alsof een staatscommissie van kunstklungels elke tien jaar onze Rembrandts een beurt met schuurpapier geeft. Maar vooral heb je uitleg nodig wegens de evolutie van de cultuur; daarom maakte het Rijksmuseum een tentoonstelling over symboliek in zeventiende-eeuwse schilderijen. Wat betekenden die lindeboom, die eglantier? Natuurlijk is het verleidelijk dingen te gaan `duiden', want het bijzondere van een roman of gedicht zit in het ongeschrevene: `Lees maar, er staat niet wat er staat.' Wie de namen `Sam en Moos' leest denkt meteen aan een joodse mop, maar waarom? Dat staat niet in de tekst, maar het staat er wel – voor de goede verstaander. Daarom kan de computer niet vertalen, en kunnen mensen het nauwelijks.

Ook ik word nogal kregel van sommige vakgebieden, in het bijzonder de meeste gamma-vakken. Niet alleen kom je daar buitensporig veel kletskoek tegen, maar – wat veel erger is – dat gezwam wordt door de vakgenoten niet of nauwelijks bestreden. Aan `deconstructivisme' en andere -ismen worden steeds nieuwe toegevoegd, zonder de geringste binding met de werkelijkheid. Dus gaan zelfs zeer zachtaardige wetenschappers zich afvragen of er wel serieuze gamma-mensen zijn. Helaas is het ook in de exacte wetenschappen niet allemaal botertje tot de boom. Regelmatig ontvang ik piepschuimproefschriften, in noeste arbeid samengesteld door promovendi die ten bate van hun promotor een archief- of computerklus hebben opgeknapt. Deze oppervlakkigheid wordt in de hand gewerkt door het plan-onderzoek, een moderne uitvinding met stalinistische trekken, waaronder het `afrekenen'. Maar zelfs deze niemendalletjes houden zich aan de feiten, en de proefschrift-inflatie wordt in de natuurwetenschap redelijk binnen de perken gehouden. Het zijn toch vooral de gamma-beoefenaren die veel te lief zijn voor de cohorten kletsmajoors in hun gelederen.

Dat kun je over Van het Reve in elk geval niet beweren, getuige zijn opmerking: `Bij [...] minus habentes wekt de gewoonte de dingen zo eenvoudig en duidelijk mogelijk te zeggen een gevoel van wrevel en teleurstelling...' Een hard feit, professor Karel. Uw collega Einstein had het niet beter kunnen zeggen.