LUCHTSCHIP 2

Het stuk over luchtschepen (W&O, 28 oktober) is interessant en over het algemeen behoorlijk degelijk. Luchtschepen kunnen een duurzaam alternatief vormen op deelmarkten als bijvoorbeeld de toerismesector, voor vervoer van exceptionele vracht en op het gebied van surveillance, onderzoek en telecommunicatie. Uit onderzoek van bijvoorbeeld Deloitte & Touche en NOVEM blijkt ook dat dit economisch rendabele markten kunnen vormen voor luchtschepen. Probleem blijft echter dat er nog geen grote luchtschepen bestaan. De kansen voor luchtschipbedrijven als het Britse ATG en het Duitse Cargolifter zien er op zichzelf goed uit, maar het gaat nog enkele jaren duren voordat deze luchtschepen in serieproductie gebouwd gaan worden.

In de afgelopen jaren is het duidelijk geworden dat er enerzijds bijzonder veel sympathie en interesse voor de toepassingsmogelijkheden van luchtschepen bestaat onder bijvoorbeeld politici, belangenorganisaties, een aantal potentiële gebruikers vanuit het bedrijfsleven en journalisten. Anderzijds hebben, met name in Nederland, veel bedrijven momenteel een afwachtende houding aangenomen. Daarnaast speelt de overheid nog steeds een onduidelijke rol met betrekking tot de introductie van luchtschepen en ten slotte heeft het enige Nederlandse luchtschepenbedrijvenconsortium (Rigid Airship Design NV) om diverse redenen vertraging opgelopen. Potentiële gebruikers als reisorganisaties en vrachtvervoerders benadrukken keer op keer hun interesse, maar stellen tegelijkertijd pas werkelijk financieel te willen participeren als er concreet luchtschepen in Nederland bestaan. De overheid op haar beurt wacht af of er voldoende interesse vanuit het bedrijfsleven voor luchtschepen bestaat. In Duitsland daarentegen verloopt de hernieuwde introductie van luchtschepen beduidend voorspoediger, onder meer wegens de actieve (financiële) betrokkenheid vanuit zowel de overheid als het bedrijfsleven.

Willen luchtschepen ook in Nederland concreet ingezet gaan worden, dan zijn gedetailleerde haalbaarheidsonderzoeken en concrete pilot-programma's, wellicht uitmondend in publiek-private samenwerkingsverbanden, onontbeerlijk. Hier ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor overheid en bedrijfsleven.