In opdracht geschreven

Twee universiteiten beschikken over een instituut voor de geschiedschrijving van bedrijven, maar die laatste zijn soms weinig scheutig met informatie.

Lange tijd is bedrijfsgeschiedenis een onderschoven kindje van de geschiedschrijving geweest. De economisch-historicus prof. Joh. de Vries maakte 25 jaar geleden een treurige balans op: de meeste boeken worden geschreven door ``een bonte stoet van auteurs: historici van diverse pluimage, ook boekhouders, procuratiehouders, zeggen we maar: oudgedienden van de bedrijven zelf, voorts journalisten, romanciers, dichters en tenslotte onbekenden (...), samengesteld door het bureau van het bedrijf'.

Die tijd is voorbij. Aan twee universiteiten zijn onderzoeksinstituten opgericht voor opdrachten van bedrijven: het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur aan de Universiteit Utrecht en het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Aan de beide Amsterdamse universiteiten gebeurt in feite hetzelfde, maar daar is het niet geïnstitutionaliseerd. ABN-AMRO en Philips hechten blijkbaar zo'n grote waarde aan het boekstaven van het verleden van hun bedrijf dat ze zelfs een eigen kroniekschrijver in dienst hebben (T. de Graaf en I. Blanken).

Verder is er een groot aantal `vrije jongens' op de markt actief. Tien historische onderzoeksbureaus, met (bedrijfs)geschiedschrijving in opdracht als hoofdmoot van hun werkzaamheden, hebben inmiddels hun krachten gebundeld. Deze onderzoeksbureaus met klinkende namen als Histodata, Memoriael, ReGister en Signifikant, zijn vaak eenmansbedrijfjes, maar er zitten ook grotere bureaus bij, zoals ReGister waarbij twaalf personen in dienst zijn.

Om een voorbeeld te noemen: de Rotterdamse onderzoeker Jan van den Noort schreef zo studies over het Rotterdamse Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf, het Gemeentelijk Havenbedrijf, het Nederlands Normalisatie-instituut in Delft, de Nederlandse Spoorwegen en over de nieuwbouw van het Academisch Ziekenhuis Groningen en onlangs nog een boek over het Waterbedrijf Europoort. Verhoog & Warmerdam, gevestigd in Noordwijk, houden zich niet alleen bezig met bedrijfsgeschiedenissen (onder andere van Capi-Lux Holding, Lips, NV Organon en Van Hecke Catering), maar stellen in opdracht ook jubileumjournaals op video samen en verrichten ze genealogisch onderzoek. Het meest gebruikte compliment in recensies van dit soort studies in de vakbladen betreft de degelijkheid van het onderzoek. De kritiek spitst zich meestal toe op het te beperkte perspectief. Deze beoordeling van geschiedschrijving in opdracht wijkt nauwelijks af van die welke veel proefschriften ten deel valt.

nieuwe stijl

Enkele jaren geleden werd een voorlopige mijlpaal in de verwetenschappelijking van bedrijfsgeschiedenis bereikt. De Vereniging het Nederlands Economisch-Historisch Archief (NEHA) stelde de bijzondere leerstoel `Bedrijfsgeschiedenis inclusief de sociale aspecten' aan de Universiteit van Amsterdam in, met Eric Fischer als eerste hoogleraar. Maar in plaats van rust en duidelijkheid ontstond er een felle polemiek over de waarde van de bedrijfshistorie-nieuwe-stijl. De eerste aanval in de flank werd eind `98 ingezet door de journalist Wim Wennekes, auteur van het inmiddels vermaarde boek `De aartsvaders', waarin de ontstaansgeschiedenis van dertien grote Nederlandse bedrijven beschreven is. In de Volkskrant beweerde hij dat bedrijfshistorici niet zouden zoeken naar `de waarheid en niets dan de waarheid'. Zij zouden zich in de luren laten leggen door hun opdrachtgevers: ``Steeds méér wetenschappelijk geschoolde bedrijfshistorici lijken er geen moeite mee te hebben als bedrijven in ruil voor een zak met geld wensen uiten, eisen stellen en over de schouders meelezen, schrappen en bijsturen.' Het onder vuur genomen legertje van bedrijfshistorici antwoordde eensgezind dat Wennekes onzin uitkraamde.

De tweede aanval kwam toen Fischer vorig jaar zijn inaugurale rede hield over concurrentie als onderbelicht thema in de Nederlandse bedrijfsgeschiedenis. Hij constateerde dat in de recente stroom bedrijfsgeschiedenissen nauwelijks iets te vinden is over mededinging of over de veranderingen in concurrentieverhoudingen. Volgens Fischer is de verklaring simpel: de opleiding van de historici bevat eenvoudigweg te weinig economie. Verder heeft de historicus doorgaans geen eigen werkervaring in het bedrijfsleven. Hij weet niet hoezeer de tucht van de markt bepalend is voor het wel en wee van de onderneming.

En dan is er ook nog het bronnenprobleem. Hoewel ondernemers bijna dagelijks over hun concurrenten praten, schrijven ze er (haast) nooit over. En àls ze het al doen, krijgt die opmerkingen slechts bij grote uitzondering een plaats in het bedrijfsarchief. Of het gebeurt in cryptische omschrijvingen, zoals de auteur Jeroen Verhoog merkte bij zijn onderzoek in het archief van sleutelfabrikant Lips. Daar werden de concurrenten in de notulen steevast met meisjesnamen aangeduid: als ergens `Yolanda' stond, dan werd daarmee `Yale' bedoeld.

En natuurlijk hebben de ondernemers, die hun opdracht meestal verstrekken bij gelegenheid van een jubileum of een voorgenomen fusie, weinig interesse in de concurrentie, aldus Fischer. Onderzoek in archieven en jaarverslagen van concurrenten maakt het project alleen maar duurder.

Met name Keetie Sluyterman en Jan Luiten van Zanden, verbonden aan het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht, zijn er toen eens goed voor gaan zitten en legden hun bezwaren tegen de oratie in een omvangrijke bijdrage vast, die in het NEHA-Bulletin is gepubliceerd (jaargang 13, 1999, nr. 1, blz. 19-61; inclusief repliek van Fischer). Zijn we, zo vroegen Sluyterman en Van Zanden zich af, inderdaad zo dom en onwetend als Fischer stelt? Nee, natuurlijk niet, vinden zij. En ze geven ook een uitputtend overzicht van wat er in de recente – wetenschappelijk verantwoorde – bedrijfsgeschiedenissen is geschreven over het thema concurrentie. Dat blijkt heel wat te zijn. Zeer onlangs heeft Keetie Sluyterman (samen met Joost Jonker) een uitvoerige studie (in opdracht van Hagemeyer) gepubliceerd over vier eeuwen handelshuizen in Nederland. Toeval of niet, maar in dit boek komt het fenomeen `concurrentie' in nagenoeg elke paragraaf ter sprake.

De ervaring van de freelance bedrijfsgeschiedschrijvers is echter een andere. Reinhilde van der Kroef, verbonden aan Histodata in Groningen, zegt desgevraagd dat zij zich continu beweegt op terreinen waarvoor zij niet primair is opgeleid. ``Als ik de geschiedenis van Aluminium Delfzijl op schrift moet stellen, dan verdiep ik mij in de bewerkingen die bauxiet ondergaat totdat het uiteindelijk aluminium wordt. Met lezen en deskundigen raadplegen kom je in korte tijd heel ver. En als ik, op verzoek van een opdrachtgever, moet ingaan op concurrentie en concurrentieverhoudingen, dan zal ik daar best uitkomen. Maar deze vraag wordt nooit gesteld.'