Idealist gaat in goud

Het is vandaag een kwart eeuw geleden dat Nederland Suriname onafhankelijkheid gaf. De elites van de beide landen hebben de zaak onderling uitgemaakt, maar voor veel Surinamers kwam de `modeldekolonisatie' van Den Uyl veel te snel. Een van de idealisten van het eerste uur, de arts Ruben Lie Pauw Sam, is nu de ongekroonde koning van een bende goudzoekers. Het Suriname van de jonge en de oude garde.

Het was niet zo dat ik hem voor het eerst ontmoette. Het was meer zo dat hij mij voor het eerst ontmoette. Hij weet altijd alles eerder dan een ander. Nog voor ik een voet op Surinaamse grond gezet had, wist hij dat er een journalist onderweg was van een Nederlands weekblad. En dat hij die knakker, zoals hij later zei, moest zien te `propagandiseren'.

En dus liep hij tegen mij op, die warme avond op dat enorme gravelveld in Paramaribo. De creoolse partijen hielden hun slotmanifestatie voor de verkiezingen. Een deinende massa donkere mensen heupwiegde op de klanken van kaminabandjes en blaasorkesten. Helemaal vooraan, tegen het podium, stonden een paar rijen stoelen. Daarop zaten de kotomissies, zwarte vrouwen, gehuld in veelkleurige jurken, het hoofd getooid met een stijve, kunstig gevouwen doek.

De eerste spreker zou juist het woord nemen toen de man die alles eerder weet dan een ander mij op de schouder tikte. ,,Geloof hem niet hoor', zei hij. ,,Typisch oude garde.'

Het was najaar 1973. Suriname moest nog onafhankelijk worden. De verkiezingen waar het die avond om ging zouden de regering-Arron aan de macht brengen. Binnen twee jaar zou die regering Suriname los van Nederland maken.

De man die alles eerder weet, fluisterde in mijn ene oor dat het de hoogste tijd was voor de jonge garde om zich van `de oude politiek' los te maken. Het andere oor vernam dat de komende creoolse regering geweldige dingen zou gaan doen. Suriname vrij maken. De Hindoestaan die daartegen was een lesje leren.

`Altijd dat raciale gedoe.' Ook daar zou een einde aan komen.

Pas toen stelde de man zich voor. Ruben, zei hij. Ruben Lie Pauw Sam. Hij zag er minder Chinees uit dan zijn naam doet vermoeden.

Ik had zijn naam eerder gehoord. Was dat niet de leider van de Volkspartij? En was dat niet de partij van de jonge Surinamers die gediplomeerd en wel uit Nederland teruggekomen waren?

Toen onstond er rumoer op de voorste rijen waar de kotomissies zaten. Een nieuwe spreker werd aangekondigd: meester Eddy Bruma, Suriname's eerste nationalist en leider van een creoolse splinterpartij, de PNR. Onmiddellijk stonden alle kotomissies op. Nog voor Bruma de microfoon bereikt had, trok een van hen hem terug. Bruma was niet groot van stuk, de kotomissie had de massieve heupen van een zeekoe. Ze tilde de spreker eenvoudig van de grond, zette hem een eind verder neer en greep de microfoon.

De andere kotomissies wisten wat er zou volgen. Zij waren geen lid van Bruma's PNR, ze waren lid van de concurrerende creoolse partij van wijlen Jopie Pengel. Tot vlak daarvoor waren ze elkaars gezworen vijanden geweest. Dat wilden de leiders die bij deze verkiezingen samenwerkten niet meer weten. Maar dat waren de kotomissies niet vergeten.

De omvangrijke vrouw achter de microfoon begon te zingen. Alle andere kotomissies vielen in. `Wee-ees gerust a-alles komt terecht, zoals Jo-opie Pe-engel heeft gezegd.' IJl en gedragen als een kerkzang klonken de vrouwenstemmen door de avondlucht. Toen werd het doodstil. ,,Zo', zei ze. ,,En dan mag meester Bruma nu iets zeggen.'

Onderweg naar de uitgang kwam Lie Pauw Sam me achterop. ,,Zie je wat ik bedoel?' Ik zag het niet want ik had van het tafereel genoten. Hij zag er het bewijs in van totale onbenulligheid, naar zijn idee het kenmerk van de Surinaamse politiek.

In de dagen daarop leerde ik hem beter kennen. Hij was getrouwd, had net zijn eerste kind gekregen en was dokter van beroep. De banken, de ruimtes daartussen, het gangpad, de portiek, het kleinste plekje in de wachtkamer werd ingenomen door een ziek mens dat genezing kwam zoeken. Bij dokter Lie Pauw Sam kon je ook terecht als je geen geld had voor de dokter.

En inderdaad, hij was leider van de Volkspartij. Het was begonnen in Leiden waar hij medicijnen studeerde. In heel Nederland namen in die jaren de linkse studenten de posities over van de rechtse corpsballen. In dat klimaat had het hem niet veel moeite gekost om de Leidse Vereniging van Surinaamse Studenten in zijn linkse handen te coupen.

Terug in Suriname zouden hij en zijn jeugdige medestanders afrekenen met het primitivisme, met het racisme en met de kotomissie-exotica van de oude Surinaamse politiek. Ze openden een groot partijgebouw aan de Keizerstraat en ze wonnen aanhang onder andere studenten die als leninistisch werktuigbouwkundige, als marxistisch econoom, als maoïstisch pedagoog of als Albanië-gezind planoloog uit Nederland naar Suriname terugkeerden. En die stukliepen op de oude orde die van hun ideologische strapatsen erg weinig moest hebben.

De een die later directeur van Staatsolie zou worden, reed me naar Mariënburg waar hij de arbeiders van de suikerfabriek leerde lezen en schrijven. De ander die later de universiteit zou politiseren, leidde me rond door de volkswijken waarvan hij de bewoners in `volkscomités' organiseerde. En een derde die later directeur zou worden van de Centrale Bank, bracht me naar Wageningen waar hij de rijstpellers in een vakbond wilde organiseren. Straks, als zij de macht hadden, dan zou Suriname zich scharen onder de Vooruitstrevende Naties van deze wereld: Angola, Cuba, Nicaragua, Grenada.

Suriname werd onafhankelijk. Ik zocht Lie Pauw Sam weer op. Hij was verhuisd naar een mooi groot huis aan de rand van de stad. Ruben zou zo komen. Ik mocht door het huis rondlopen. Ik opende een deur die naar de kelder leidde. Daar stond Ruben en zijn hele partijkader in judopak te vechtsporten.

Die avond vroeg ik hem waarom ze dat deden. En of ze ook de schietsport beoefenden. Dat deden ze. Het viel niet te verwachten, zei Ruben, dat de toekomst zonder slag of stoot aan hen zou zijn.

In de dagen rond de onafhankelijkheid praatten we uren en uren over dat nieuwe Suriname van hem. Het zou gegrondvest worden op een stevige ideologische basis, ik moest eerder aan het moderne China denken dan aan het achterhaalde Rusland. Het sprak voor zichzelf dat de oude partijen die hun aanhang op ras rekruteerden ten dode opgeschreven waren. Ooit zou de Volkspartij ze wegvagen.

In het stadion waarin de onafhankelijkheid gevierd werd, zag ik hem niet. Chinezen droegen een draak rond, Hindoestanen speelden hun aankomst in Suriname per zeilboot na, bosnegers besloegen de apintiedrum en Javanen deden de tijgerdans. In aller ogen blonk een traan toen het rood-wit-blauw werd gestreken. Maar van de Volkspartij zag je niemand. Ze moesten er niet veel van hebben, van al die nostalgie op culturele basis. En ook niet van de onafhankelijkheid. Daar waren ze niet tegen, maar ze waren er ook niet enthousiast over. De Volkspartij deed mee aan de verkiezingen van eind 1977. Nul zetels. Onverdroten gingen de idealisten door met hun zendingswerk. Ooit moest hun moment komen.

Lie Pauw Sam was er ook eerder dan anderen van op de hoogte dat er in het land een staatsgreep gepleegd zou worden. De `oude' politieke partijen konden de weelde van het vele Nederlandse ontwikkelingsgeld niet aan. Ze regeerden niet. Ze vierden feest.

Op 25 februari 1980 grepen de onderofficieren de macht. Was dit het moment?

Even leek het erop. Een dag na de coup was ik in Paramaribo. Ondanks de avondklok kwam Lie Pauw Sam me 's avonds in mijn hotelkamer opzoeken. Hij was bezig een zakenkabinet te formeren. De bedoeling was dat hij minister-president zou worden. Nee, de tijd was nog niet rijp voor een revolutionair bewind naar Cubaans model.

Toen al vertelde hij dat de militairen van de coup hem tevoren hadden geraadpleegd. Zou hij met zijn Volkspartij niet in het vacuüm willen springen? Ook de Nederlandse kolonel Hans Valk die `de jongens' geholpen had, was bij hem langs geweest. Valk kon van alles dat links was het bloed wel drinken. Maar hij begreep ook dat het met de `oude politiek' gedaan was. En dat de jeugd van Suriname bij de Volkspartij zat.

Lie Pauw Sam had gezegd dat hij er niet veel voor voelde. Er waren weer verkiezingen op komst. Die beloofden een groot succes te worden voor de Volkspartij.

Hoe kan dat nou, zeiden de coupplegers. Sinds je uit Nederland bent, wil je van Suriname een soort Cuba of Nicaragua maken. Nu krijg je je kans en neem je hem niet. Een zakenkabinet? Is dat jouw revolutie? Ze schakelden over op de oude nationalisten die binnen de kortste keren een andere dokter, Chin A Sen, in het zadel hielpen.

Het duurde maar een paar weken of de afgestudeerde jongens en meisjes van de Volkspartij stelden hem dezelfde vragen. Waarom doen wij niet met de militairen mee? Jij met je verkiezingen! Ooit een revolutie gezien die zich via de stembus voltrok?

Driekwart van het kader stapte uit de Volkspartij en richtte de Revolutionaire Volkspartij op. Dit was het uur van de revolutie! De jongens en meisjes die uitstapten zouden twee jaar later juichen of ten minste zwijgen toen Bouterse vijftien contrarevolutionairen doodschoot. De een mocht daarna de universiteit verlinksen. De ander werd directeur van de Centrale Bank.

In de twee jaar tussen de staatsgreep en de moorden ging Lie Pauw Sam verder met wat er van zijn Volkspartij was overgebleven. Zo nu en dan adviseerde hij Bouterse. Dan weer hield hij zich afzijdig. In de Surinaamse politiek kan geen mens het zich veroorloven op één paard te wedden. Om onder de nieuwe omstandigheden nog steeds alles eerder te weten dan een ander spoorde hij een opvallend mooie partijgenote aan om het met Bouterse aan te leggen. Dan kon ze hem en passant op de hoogte houden. Dat deed ze. Wat ze niet had moeten doen deed ze ook: reddeloos verliefd worden op de viriele legerleider.

En zo kon het gebeuren dat Bouterse in de nacht van 8 op 9 december 1982, de nacht van de moorden, bij Lie Pauw Sam aan de deur klopte. Om het bed te delen met de mooie partijgenote die in die dagen bij Lie Pauw Sam logeerde. Aan het onbijt trof Ruben Bouterse. Je kon niet aan hem merken, zou hij later zeggen, dat er iets bijzonders gebeurd was. Bouterse at onaangedaan zijn eitje.

Het zou tot 1991 duren voor ik Lie Pauw Sam zou weerzien. Hij had nog een keer, in 1987, aan verkiezingen meegedaan. Weer nul zetels. In de revolutie zag hij niet veel meer. Het ijzeren gordijn gesloopt, het wereldcommunisme ten grave gedragen. Het was geen tijd meer voor illusies.

Hij dokterde nog wel voor de armen. Maar hij deed het niet meer in de hoop van patiënten kiezers te maken en van arme sloebers betrouwbare revolutionairen.

We kwamen te spreken over zijn oude partijkader dat wel met de militairen was gaan samenwerken. De idealisten zonder verstand, zoals hij ze noemde. Ze waren in Bouterse een Fidel Castro in de dop gaan zien. En ze waren iedereen die tegen Bouterse was als een verdorven klassenvijand gaan beschouwen, een lakei van het Westen. Ze hadden zich bewapend en waren met het geweer over de schouder rondjes door Paramaribo gaan lopen. Ze hadden de wacht betrokken bij gevoelige objecten als het elektrahuisje en het radiostation om die tegen invallen van vreemde mogendheden te beschermen. Ze luisterden gesprekken af en brachten staatsvijandige geluiden aan bij de militairen. Ze gingen naar de kranten en de televisie om te vertellen wat wel voor publicatie vatbaar was en wat niet. En ze maakten van de universiteit het gepolitiseerde bolwerk dat er in Nederland nooit van was gekomen.

Ruben Lie Pauw Sam was kunst gaan verzamelen. Hij was opnieuw verhuisd, nog verder de stad uit. De ongekroonde koning van de komende omwenteling leek zich terug te trekken in zijn huis, zijn gezin en zijn verzameling mooie houten beelden.

Op een dag vernam ik dat hij in het goud was gegaan. Ergens midden in het oerwoud, zoveel stond vast.

Daarna hoorde ik weinig of niets meer van hem tot ik hem de afgelopen zomer in Paramaribo opnieuw tegen het ouder geworden lijf liep. Het klopte, hij zat in het goud. Hij was de eigenaar-directeur geworden van een grote goudmijn, een concessiegebied zo groot als de provincie Utrecht.

,,En? Levert het geld op?'

,,Het gaat. Het gaat.'

Hij liet littekens zien. Hij was in zijn oerwoudhuis door struikrovers beschoten. Tot zijn dood zou hij een paar stukjes lood met zich meedragen.

Het was heel eenvoudig gegaan, zei hij. Tot vlak voor hij ophield met dokteren was hij bedrijfsarts geweest van een Canadese goudmijn. Die draaide redelijk, totdat Brunswijk met Bouterse ging vechten. De mijn werd dan weer door de een dan weer door de ander overvallen. De Canadezen hielden ermee op. Een van hun managers, een Chinees-Surinaamse vrouw, vroeg de bedrijfsarts: voel jij ervoor?,,En toen ben ik maar goud gaan zoeken.'

We vlogen er heen in een draagbaar vliegtuigje dat onderweg met de vleugels klapperde. Het duurde een uur en toen durfde ik mijn ogen weer open te doen. We stonden midden in het oerwoud, naast een groen huis van vier etages dat uit buizen en containers was opgetrokken.

Ruben sliep op de bovenste etage. Dan moesten overvallers drie trappen op voor ze bij hem waren en dan had hij tijd genoeg om zijn precisiegeweer onder het hoofdkussen vandaan te halen.

Diezelfde middag nog reden we op een drietonstruck door zijn concessie. De wegen had hij, nou ja, hadden zijn arbeiders zelf aangelegd.

Langzamerhand werd het mij duidelijk. Hier in het bos, ver van de bewoonde wereld, had Ruben Lie Pauw Sam eindelijk de nieuwe wereld gebouwd waar hij in Paramaribo niet aan toe was gekomen. Hij had er grote stukken oerwoud voor moeten ontbossen. Maar hij werkte niet met het kwik waarmee de andere goudzoekers het rivierwater vergiftigden.

Zijn wereld werd bewoond door 250 mannen, voor het grootste deel uit China en Brazilië. Ze waren verdeeld in groepen van tien, elke groep een autonoom werkende eenheid.

De mannen woonden in tenten, sliepen op een veldbed onder een klamboe, kookten hun eigen eten en groeven van zonsopgang tot zonsondergang onophoudelijk de oevers van de Sarakreek af. Ze zagen eruit alsof ze zelf oerwoud waren.

Ruben zorgde voor de graafmachines, de waterpompen, de aggregaten en alles wat goudzoekers verder nodig hebben. Zij woelden de aarde om, smeten de keien opzij, spoten de veelbelovende lagen schoon, wasten het gruis, zeefden het stof en hielden na een week hard werken een kilootje goud over dat voor een onsje van hen was. Na een, twee of drie jaar vertrok menig man met volle beurs naar zijn verre huis, vrouw en kinderen.

Ruben beklopte hier een hoestende rug, luisterde daar naar een ruisend hart, van alle mannen kende hij de achtergrond. Hij gaf instructies, iedereen luisterde naar hem, hij gaf raad, die werd aangenomen. Geen twijfel mogelijk: hij was de ongekroonde koning geworden van een bende goudzoekers.

Voor we terugvlogen maakten we een lange wandeling door een uithoek die nog ontgonnen moest worden. Bosnegers waren bezig een weg open te kappen. Voor ons uit liep de gedrongen gestalte van Jozef, donkerder bosneger heeft geen oog gezien.

Jozef en ik raakten een stukje vooruit. Het pad was voor mij onzichtbaar, we waren algeheel door groen omgeven. Toen draaide hij zich om en vroeg hij: ,,Zeg eens, vriend, in welke dienstbetrekking sta jij tot de Here?'

In Rubens eigen wereld hoefde je niet links meer te zijn. Het mocht ook evangelisch.

Jozef deed ons uitgeleide toen we, laat die middag, terugvlogen. Hij riep het taxiënde vliegtuigje na. ,,Goede reis! Dag! Ik zal voor jullie bidden!'

Onder de wolken zeiden we niet veel. De oude maoïst leek tamelijk gelukkig.

In Paramaribo liet de televisie de beëdiging zien van de nieuwe president. De eerste rijen van het balkon waren gevuld met zwarte vrouwen, gehuld in veelkleurige jurken, het hoofd getooid met een stijve, kunstig gevouwen doek.

Ze zongen het volkslied, ijl en gedragen als kerkzang klonken de vrouwenstemmen door de sporthal.

Op het podium had de oude politiek zich verzameld. Lachmon die een kwart eeuw terug ook al parlementsvoorzitter was. Derby, toen ook al parlementslid voor de PNR. En Venetiaan, in die tijd minister voor de NPS van Jo-opie Pe-engel.

Nee. Het eerste kwart eeuw van de onafhankelijkheid is niet de kwart eeuw van de jeugd geworden. Het was en het bleef: de kwart eeuw van de oude garde.